ECLI:NL:CRVB:2011:BR4115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor WAO-functies ondanks stofallergie en psychische klachten
Appellante, voormalig productiemedewerkster, werd in 1997 ziek gemeld met psychische klachten en ontving een WAO-uitkering die in 2006 werd herzien naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. Na ziekmelding in 2007 met aanvullende stofallergieklachten, weigerde het UWV verdere ziekengelduitkering omdat zij geschikt werd geacht voor ten minste één van de WAO-beoordeelde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de psychische toestand sinds 2006 niet zodanig verslechterd was dat zij niet meer kon werken in de geduide functies. Ook de stofallergie werd niet als belemmerend gezien, omdat in die functies geen blootstelling aan stof, schimmel of huisstofmijt plaatsvindt.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar lichamelijke en psychische klachten ernstiger waren dan erkend, met verwijzing naar verklaringen van een systeemtherapeute en psychiater. De Raad oordeelde dat deze verklaringen onvoldoende onderbouwing boden voor een toename van beperkingen sinds 2006. Het bestreden besluit bleef daarom in stand, het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld blijft in stand.