ECLI:NL:CRVB:2011:BR4035
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
De zaak betreft het hoger beroep van een werkgever tegen een besluit van het UWV waarbij het recht op loon tijdens ziekte van een werknemer met 52 weken werd verlengd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. De rechtbank Arnhem had het beroep van de werkgever ongegrond verklaard en geoordeeld dat er voldoende medische en arbeidsdeskundige rapportages waren die aantonen dat de werknemer benutbare mogelijkheden had en dat de werkgever haar re-integratieverplichtingen niet voldoende was nagekomen.
In hoger beroep voerde de werkgever aan dat zij mocht afgaan op het advies van de bedrijfsarts die stelde dat de werknemer geen benutbare mogelijkheden had en dat zij steeds de vinger aan de pols hield tijdens het re-integratietraject. Het UWV handhaafde haar standpunt dat de werkgever verantwoordelijk blijft voor de kwaliteit van de door haar ingeschakelde arbodienst en dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren.
De Raad overwoog dat het standpunt van het UWV voldoende werd ondersteund door rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen die concludeerden dat er wel benutbare mogelijkheden waren en dat de werkgever onvoldoende re-integratie had verricht. De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever ligt. Gezien deze overwegingen bevestigde de Raad de aangevallen uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
De Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en wees het verzoek daartoe af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 juli 2011.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door de werkgever wordt bevestigd.