ECLI:NL:CRVB:2011:BR3744

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6928 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbAlgemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens termijnoverschrijding bij vaststelling PGB

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van Stichting Zorgkantoor Menzis waarin haar persoonsgebonden budget (PGB) over 2008 definitief werd vastgesteld en een bedrag van €22.027,44 werd teruggevorderd wegens het niet verantwoorden van het toegekende budget.

Het bezwaar werd echter niet tijdig ingediend binnen de zeswekentermijn zoals voorgeschreven in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Menzis verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en de rechtbank bevestigde dit oordeel, waarbij zij oordeelde dat de overschrijding niet verschoonbaar was.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij tijdig een eerste verantwoording had ingediend en dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de financiële consequenties van de niet-ontvankelijkverklaring. De Raad stelde vast dat de overschrijding werd veroorzaakt door afwezigheid van een medewerkster en dat dit in de risicosfeer van appellante lag.

De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet in staat was tijdig bezwaar te maken, ook niet met hulp van derden. Daarom werd de termijnoverschrijding niet verschoonbaar geacht en werd het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Een inhoudelijke beoordeling van het besluit kon daardoor niet plaatsvinden.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bezwaar van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

10/6928 AWBZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2010, 09/5645 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen:
appellante
en
Stichting Zorgkantoor Menzis (hierna: Menzis)
Datum uitspraak: 20 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft F.F.P. van [W.], werkzaam bij de William Schrikker Groep, gevestigd te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Menzis heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011. Voor appellante is Van [W.] verschenen. Menzis heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Menzis heeft bij besluit van 19 juni 2009 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) het persoonsgebonden budget (hierna: PGB) van appellante over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 definitief vastgesteld. Wegens het niet verantwoorden van het toegekende PGB dient appellante een bedrag van € 22.027,44 terug te betalen.
1.2. Bij brief van 5 augustus 2009 is namens appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 juni 2009.
1.3. Bij besluit van 21 september 2009 heeft Menzis het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 juni 2009 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank is daarbij - voor zover in hoger beroep van belang - tot de conclusie gekomen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door haar op tijd ingediende eerste verantwoording van € 5.093,-- op 12 februari 2009. De rechtbank heeft op formele gronden het beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder daarbij rekening te houden met de grote financiële consequenties voor appellante.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Vast staat dat appellante haar bezwaarschrift niet binnen de in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde bezwaartermijn van zes weken heeft ingediend. In geschil tussen partijen is of die termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten. Als reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn is namens appellante desgevraagd op 14 september 2009 aan Menzis medegedeeld dat het besluit van 19 juni 2009 langer is blijven liggen wegens afwezigheid van de medewerkster die het dossier ter behandeling onder zich had. In de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft de voornoemde medewerkster, M.E.B. [K.K.], ter zitting van de rechtbank verklaard dat zij afwezig was van 19 mei 2009 tot 14 dagen daarna, waarna zij niet direct kon beginnen met het opstellen van een bezwaarschrift, omdat andere werkzaamheden prioriteit hadden. Daargelaten dat het besluit van 19 juni 2009 dateert en derhalve eerst na terugkomst van [K.K.] is genomen, is de Raad van oordeel dat het niet tijdig maken van bezwaar vanwege de aangevoerde redenen geheel in de risicosfeer van appellante ligt. De Raad is van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Ook wat appellante nog heeft toegevoegd in hoger beroep kan niet leiden tot het verschoonbaar achten van de termijnoverschrijding. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was om, eventueel met behulp van een ander, tijdig bezwaar te maken.
4.2. Ten slotte merkt de Raad nog op dat, nu het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, aan een inhoudelijke beoordeling of de besluitvorming van Menzis onevenredige consequenties voor appellante meebrengt, niet kan worden toegekomen.
4.3. Het overwogene onder 4.1 en 4.2 leidt tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011.
(get.) R.M. van Male.
(get.) P.J.M. Crombach.
RS