[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)
tegen de uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 februari 2009, 179264/ FA RK 08-4309 (hierna: aangevallen uitspraak)
Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd te Eindhoven, (hierna: Bureau Jeugdzorg)
Datum uitspraak: 20 juli 2011
Namens appellante heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, hoger beroep ingesteld.
Bureau Jeugdzorg heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter zitting aan de orde gesteld op 8 juni 2011. Partijen zijn niet verschenen.
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft een dochter, [A.P.C.C.], (hierna: [A.]), geboren [in] 2005.
1.2. In het kader van een omgangsregeling en het gezag over [A.] zijn appellante en P.C.A. [C.], de vader van [A.], (hierna: [C.]) voor bemiddeling naar het mediationbureau van de rechtbank verwezen. Appellante en [C.] hebben zich bereid verklaard de omgang van [C.] met [A.] onder begeleiding van Tender Jeugdzorg te laten plaatsvinden.
1.3. Bij indicatiebesluit van 27 maart 2008 heeft Bureau Jeugdzorg bepaald dat [C.] is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de Jeugdzorg (WJZ), te weten Jeugdhulp accomodatie zorgaanbieder individueel.
1.4. Namens appellante is op 8 mei 2008 een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 27 maart 2008. In het bezwaarschrift is aangegeven dat het berust op nog nader aan te voeren gronden.
1.5. Bij brief van 14 mei 2008 heeft Bureau Jeugdzorg de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en appellante in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na dagtekening van de brief de gronden van bezwaar in te dienen.
1.6. Bij besluit van 16 juni 2008 heeft Bureau Jeugdzorg de bezwaren van appellante niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante niet binnen de daartoe gestelde termijn de gronden van bezwaar heeft ingediend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de kinderrechter als bestuursrechter het beroep tegen het besluit van 16 juni 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1. Artikel 1, aanhef en onder f, van de WJZ bepaalt dat onder stichting als bedoeld in de WJZ wordt verstaan: een stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt.
4.1.2. Artikel 1, aanhef en onder d, van de WJZ bepaalt dat onder cliënt als bedoeld in de WJZ wordt verstaan: een jeugdige, zijn ouders of stiefouder of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden.
4.1.3. Artikel 3, eerste lid, van de WJZ bepaalt dat cliënten aanspraak hebben op jeugdzorg. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WJZ heeft een cliënt slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge de WJZ als de stichting die werkzaam is in de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen.
4.1.4. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de WJZ heeft de stichting tot taak te bezien of een cliënt die zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren. Artikel 5, tweede lid, onder a, van de WJZ bepaalt dat tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat.
4.1.5. Ingevolge artikel 5, vijfde lid, van de WJZ is in afwijking van artikel 8:7 van de Awb voor beroepen tegen beschikkingen, gegeven op grond van de artikelen 5, tweede lid, en 6, vierde lid, van de WJZ, bevoegd de kinderrechter binnen het rechtsgebied waarvan de bevoegde stichting die een bureau jeugdzorg instandhoudt haar zetel heeft.
4.2. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 april 2008, LJN BD1113, rechtsoverweging 4.2.4, stelt de Raad vast dat hij bevoegd is om van het onderhavige hoger beroep kennis te nemen, nu dit is gericht tegen een uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter inzake een indicatiebesluit dat zijn grondslag vindt in de WJZ.
4.3. Tussen partijen is in hoger beroep uitsluitend in geschil de vraag of Bureau Jeugdzorg het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 maart 2008 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden van het bezwaar.
4.4. In artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, voor zover hier van belang, bepaald dat het bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar bevat.
4.5. In artikel 6:6 van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of enig ander bij wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. De Raad onderschrijft het oordeel, en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, van de kinderrechter als bestuursrechter dat Bureau Jeugdzorg in redelijkheid kon besluiten het bezwaar van appellante niet ontvankelijk te verklaren wegens het niet binnen de gestelde termijn herstellen van het verzuim om de gronden van bezwaar in te dienen.
4.6. De Raad voegt hieraan toe dat Bureau Jeugdzorg appellante bij brief van 14 mei 2008 in de gelegenheid heeft gesteld om het verzuim van het niet indienen van de gronden van het bezwaar binnen vier weken te herstellen, waarbij tevens is gewaarschuwd dat het niet herstellen van het verzuim kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Anders dan de appellante heeft betoogd, ziet de Raad in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding te oordelen dat Bureau Jeugdzorg appellante een aanvullende termijn had moeten bieden tot herstel van het verzuim.
4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011.