ECLI:NL:CRVB:2011:BR3551
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- W.H. Bel
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning van bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant, afkomstig uit het voormalige Joegoslavië, verkreeg op 2 april 2008 een verblijfsvergunning op grond van de pardonregeling met ingang van 15 juni 2007. Hij vroeg bijstand aan met ingang van die datum, maar het College kende bijstand toe vanaf 4 februari 2008. Na bezwaar en beroep verklaarden zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep het beroep ongegrond.
De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant stelde dat hij schulden had moeten maken en afhankelijk was van familie en vrienden, maar kon dit niet aannemelijk maken met bewijs van terugbetalingsverplichtingen of concrete bedragen.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de WWB een gedecentraliseerde uitvoering kent, waardoor gemeenten verschillend beleid mogen voeren. De Raad concludeerde dat onvoldoende grond bestond voor bijstand met terugwerkende kracht en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.