ECLI:NL:CRVB:2011:BR3331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag bijzondere bijstand voor kinderopvangkosten bij medische beperkingen
Appellanten verzochten bijzondere bijstand voor kosten van kinderopvang over de periode van september 2002 tot mei 2005, omdat appellant vanwege medische beperkingen niet in staat zou zijn de zorg voor hun dochter te verzorgen. Het College wees de aanvraag vanaf 24 juni 2003 af op basis van een medisch advies van de GGD dat geen noodzaak tot vergoeding zag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde de aanvraagdatum vast op 24 juni 2003. Appellanten gingen in hoger beroep en stelden dat de aanvraag onzorgvuldig was behandeld en dat er wel degelijk medische noodzaak bestond, ondersteund door een medisch rapport van een eigen arts.
De Raad benoemde een onafhankelijke medisch deskundige die concludeerde dat appellant wel in staat was de verzorging zelfstandig te verrichten. De Raad volgde dit oordeel en oordeelde dat de noodzaak van de gemaakte kinderopvangkosten niet was komen vast te staan. De Raad bevestigde het eerdere oordeel en wees het hoger beroep af.
De Raad erkende procedurele tekortkomingen maar vond deze niet reden om zonder inhoudelijke beoordeling een positieve beslissing te nemen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 juli 2011.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor kinderopvangkosten is terecht afgewezen wegens het ontbreken van medische noodzaak.