ECLI:NL:CRVB:2011:BR2420

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5609 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25, negende lid Wet WIAArt. 65, eerste lid Wet WIAArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging loonsanctie wegens ontbreken tijdige probleemanalyse re-integratie

De zaak betreft een hoger beroep van een werkgever tegen een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens het ontbreken van een tijdig en compleet re-integratieverslag, met name een probleemanalyse. De werkgever stelde dat de probleemanalyse reeds in 2006 was toegezonden en dat een advies voor werkhervatting van juni 2006 gelijkwaardig was aan de probleemanalyse.

De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat de werkgever niet aannemelijk had gemaakt dat de probleemanalyse in 2006 was ingediend en dat het advies voor werkhervatting niet als vervanging kon dienen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze beoordeling en voegde toe dat er in 2006 nog geen verplichting bestond om de probleemanalyse aan het UWV te zenden, die pas ontstond na de WIA-uitkeringsaanvraag in december 2007.

De Raad benadrukte dat de probleemanalyse inhoudelijk uitgebreider en genuanceerder is dan het advies voor werkhervatting, onder meer doordat daarin werktijden en functieniveau zijn vermeld. De werkgever heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten of argumenten aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 20 juli 2011.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de loonsanctie blijft gehandhaafd.

Uitspraak

10/5609 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 september 2010, 08/2672 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Winia, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadien nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011. Appellante heeft zich met schriftelijk bericht niet doen vertegenwoordigen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.
II. OVERWEGINGEN`
1.1. Bij besluit van 21 januari 2008 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werkneemster] (hierna: werkneemster) tegenover appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting aan de afloop van de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat door appellante zonder deugdelijke grond geen compleet re-integratieverslag is ingediend. Hierbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, in samenhang met artikel 65, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.2. Bij besluit van 8 april 2008 - hierna: bestreden besluit - heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2008 ongegrond verklaard omdat bij het re-integratieverslag nog steeds een probleemanalyse ontbrak, waardoor een inhoudelijke beoordeling van het re-integratieverslag niet mogelijk was.
1.3. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat de probleemanalyse al in 2006 aan het Uwv was toegezonden, zodat deze tijdig is ingediend. Voorts is gesteld dat de arbo-arts op 14 juni 2006 een advies voor werkhervatting heeft opgesteld, dat qua inhoud exact gelijk is aan de probleemanalyse en dat op 16 januari 2008 aan het Uwv is toegezonden, waardoor appellante aan haar verplichtingen heeft voldaan.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv heeft betwist in 2006 de probleemanalyse te hebben ontvangen en dat appellante de gestelde toezending van de probleemanalyse in 2006 niet aannemelijk heeft gemaakt. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het advies voor werkhervatting niet in de plaats kan treden van de probleemanalyse. Dat (deels) dezelfde informatie in de probleemanalyse en het advies voor werkhervatting staat doet daaraan niet af.
3.1. Appellante heeft in hoger beroep de gronden van het beroep herhaald.
3.2. Het Uwv heeft het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd en heeft bij brief van
31 mei 2011 nog een probleemanalyse met een begeleidend schrijven van appellante aan het Uwv van 29 mei 2008 ingezonden.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de probleemanalyse al in 2006 aan het Uwv is toegezonden. Dat appellante in voornoemd schrijven van 29 mei 2008 melding maakt van een eerdere toezending in 2006 is daarvoor onvoldoende. De Raad voegt daaraan toe dat er in 2006 nog geen noodzaak bestond om de probleemanalyse aan het Uwv toe te zenden. Die noodzaak ontstond pas na de aanvraag van de uitkering ingevolge de Wet WIA door de werkneemster op 18 december 2007.
4.2. De Raad is voorts in lijn met de rechtbank van oordeel dat de probleemanalyse qua inhoud uitgebreider en genuanceerde is dan het advies voor werkhervatting. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv toegelicht dat in het advies tot werkhervatting, anders dan in de probleemanalyse, niet de werktijden en het functieniveau zijn vermeld. Voorts blijkt uit de probleemanalyse dat de werkneemster op de hoogte is van het advies tot werkhervatting.
4.3. Hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep geen doel treft. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en te komen tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
NW