ECLI:NL:CRVB:2011:BR1910

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5968 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing

Appellant heeft op 27 november 2008 een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend, die bij besluit van 20 april 2009 werd geweigerd. Het bezwaar tegen deze weigering werd op 11 december 2009 ongegrond verklaard door het UWV. Appellant stelde in hoger beroep dat hij al van kinds af aan niet normaal kon functioneren en vroeg om een second opinion, waarvan een afschrift aan de Raad zou worden verstrekt.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het medische onderzoek door de artsen van het UWV op een juiste en zorgvuldige wijze was uitgevoerd. Tevens werd geoordeeld dat indien een Wajong-uitkering in een laat stadium wordt aangevraagd, het risico voor het ontbreken van relevante medische stukken bij de aanvrager ligt. Appellant heeft echter geen relevante medische stukken ingebracht en het beloofde afschrift van de second opinion is nooit ontvangen.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Utrecht, die eveneens oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was verricht en dat appellant geen concrete medische gegevens had aangeleverd die twijfel opriepen over zijn belastbaarheid. Eventuele onduidelijkheden moeten voor rekening en risico van appellant blijven.

De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en deed de uitspraak in het openbaar op 15 juli 2011.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing.

Uitspraak

10/5968 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[adres] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 september 2010, 10/278 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2011. Appellant noch zijn gemachtigde is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.H. Put.
II. OVERWEGINGEN
1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.
2. Appellant, geboren op [in] 1957, heeft op 27 november 2008 een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Bij besluit van 20 april 2009 is hem de uitkering geweigerd. Bij besluit van 11 december 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 april 2009 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
11 december 2009 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medische onderzoek zorgvuldig is verricht en dat de beperkingen juist zijn vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst. De rechtbank heeft bij haar beoordeling betrokken dat de arts in de primaire fase, nadat zij dossierstudie had verricht, appellant heeft onderzocht en informatie heeft opgevraagd, heeft geconcludeerd dat er geen eerste arbeidsongeschiktheidsdag is aan te wijzen. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts een expertise laten verrichten door psycholoog drs. M.S.P. Vermeulen. Deze heeft ondermeer geconcludeerd dat er geen diagnose kan worden gesteld op As 1 van de DSM-IV (klinische stoornis). De bezwaarverzekeringsarts heeft zich dan ook geheel met de conclusie van de primaire arts kunnen verenigen. Appellant heeft geen concrete medische gegevens ingebracht die twijfel oproepen omtrent het door de (bezwaar)verzekeringsarts(en) ingenomen standpunt met betrekking tot appellants belastbaarheid op en na 20 mei 1974. Appellant is er derhalve niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij aan de Wajong aanspraak op uitkering kan ontlenen. Eventuele onduidelijkheden met betrekking tot zijn belastbaarheid op en na 20 mei 1974 moeten naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de verlate aanvraag om Wajong-uitkering, voor rekening en risico van appellant blijven.
4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij al van kinds af aan voor “gek” wordt versleten. Hij heeft nooit een normaal leven kunnen leiden, geen normaal onderwijs kunnen volgen en ook geen normaal werkend bestaan kunnen hebben. Dat de deskundige onvoldoende hoogte van hem heeft kunnen krijgen kan en mag geen reden zijn om niet de erkenning te krijgen voor het afwijkende bestaan dat hij al zijn hele leven noodgedwongen heeft moeten leiden. Appellant vraagt een second-opinion aan waarvan de Raad een afschrift zal ontvangen.
5. De Raad is van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en overweegt hiertoe dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het medische onderzoek door de artsen van het Uwv op juiste en zorgvuldige wijze is gebeurd. Tevens heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat indien in een heel laat stadium een Wajong-uitkering wordt aangevraagd het voor rekening en risico van de aanvrager komt als er geen relevante medische stukken meer te achterhalen zijn. Appellant heeft echter geen relevante medische stukken ingebracht. Het in hoger beroep in het vooruitzicht gestelde afschrift van een second-opinion is nooit door de Raad ontvangen.
6. Uit hetgeen in overweging 5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) N.S.A. El Hana.
EV