ECLI:NL:CRVB:2011:BR1527

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5765 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep tegen UWV-besluit na gewijzigde beslissing

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een besluit van het UWV. Het UWV nam op 30 maart 2011 een gewijzigde beslissing op bezwaar die geheel tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant.

Appellant gaf aan zich te kunnen vinden in deze gewijzigde beslissing en verzocht om vergoeding van proceskosten. Het UWV voerde verweer tegen deze kostenvergoeding. Partijen stemden ermee in om de behandeling ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek werd gesloten.

De Raad oordeelde dat appellant geen belang meer had bij een oordeel over de oorspronkelijke uitspraak, omdat het gewijzigde besluit zijn bezwaren volledig wegneemt. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Raad wees ook het verzoek om proceskostenvergoeding af, omdat de vader van appellant niet als deskundige of beroepsmatig rechtsbijstandverlener kon worden aangemerkt.

De Centrale Raad van Beroep bepaalde dat het betaalde griffierecht door het UWV aan appellant wordt vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Greebe in aanwezigheid van griffier M.A. van Amerongen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het griffierecht wordt door het UWV aan appellant vergoed.

Uitspraak

10/5765 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2010 , 09/3645 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft op 30 maart 2011 een verweerschrift ingediend en een gewijzigde beslissing op bezwaar van diezelfde datum.
Appellant heeft de Raad laten weten zich te kunnen vinden in het gewijzigde besluit en hij heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de gemaakte proceskosten.
Het Uwv heeft verweer gevoerd tegen de gevraagde proceskostenveroordeling.
Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven behandeling ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Met het besluit van 30 maart 2011 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Dit besluit komt, gelet op de aangevoerde gronden, geheel tegemoet aan de bezwaren van appellant. Tussen partijen bestaat, gezien de inhoud van het besluit en hetgeen overigens is aangevoerd, geen geschil meer. Derhalve heeft appellant geen belang meer bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Hieraan ligt de overweging ten grondslag dat [naam vader], de vader van appellant, niet is aan te merken als een deskundige die door appellant ter zitting van de rechtbank is meegebracht dan wel aan appellant een verslag heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Bij brief van 15 oktober 2009 heeft appellant aan de rechtbank laten weten dat zijn vader als zijn gemachtigde zal optreden.
De kosten van een gemachtigde komen op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb alleen voor vergoeding in aanmerking als sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het is de Raad niet gebleken dat de vader van appellant beroepsmatig rechtsbijstandverlener is, zodat de door appellant geclaimde kosten evenmin op die grond voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ter hoogte van € 152,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011.
(get.) M. Greebe.
(get.) M.A. van Amerongen.
EV