ECLI:NL:CRVB:2011:BR1247
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C. van Viegen
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum bijstand en vergoeding kosten rechtsbijstand in WWB-zaak
Appellante, van Russische nationaliteit, vroeg bijstand aan na het verkrijgen van een verblijfsvergunning in het kader van de Pardonregeling. De Bestuurscommissie kende bijstand toe vanaf 25 september 2007, maar na bezwaar werd dit teruggebracht naar 3 juli 2007, de datum van schriftelijke melding bij het CWI. Appellante voerde aan dat de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 15 juni 2007 moest ingaan vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder verblijf en schulden bij het Leger des Heils.
De Raad oordeelde dat bijstand niet eerder dan de datum van melding kan ingaan, tenzij bijzondere omstandigheden aannemelijk worden gemaakt. Appellante slaagde hier niet in, omdat niet was aangetoond dat zij daadwerkelijk een eigen bijdrage aan het Leger des Heils verschuldigd was. Tevens vernietigde de Raad delen van de uitspraak van de rechtbank omdat deze niet oordeelde over het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en over de hoogte van de vergoeding voor rechtsbijstand in de bezwaarfase.
De Raad verklaarde het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk en stelde de vergoeding voor rechtsbijstand vast op € 644,-- in plaats van € 322,--. Het Drechtstedenbestuur werd veroordeeld in de proceskosten van appellante. De overige onderdelen van de uitspraak werden bevestigd.
Uitkomst: Bijstand ingangsdatum vastgesteld op datum schriftelijke melding, beroep tegen niet tijdig besluit niet-ontvankelijk en vergoeding rechtsbijstand verhoogd naar € 644,--.