ECLI:NL:CRVB:2011:BR1073

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4806 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 ZWBeleidsregels weigering ziekengeld bij bestaande of te verwachten ongeschiktheid (Stcrt. 2004-115)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens evidente ongeschiktheid voor arbeidsfunctie

Appellant, met rugklachten en beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), werkte kortdurend als wasserijmedewerker, een functie die langdurig staand werk en veel bukken en tillen vereiste. Het UWV weigerde ziekengeld omdat de arbeidsongeschiktheid reeds bestond bij aanvang van de verzekering of binnen een half jaar verwacht moest worden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de functie evident ongeschikt was voor appellant gezien zijn beperkingen, en dat hij zich hiervan bewust had moeten zijn. Appellant voerde aan dat het UWV de weigeringsbevoegdheid onjuist had toegepast en dat er geen sprake was van misbruik.

De Raad oordeelde dat de functie met permanente sta-belasting niet passend was volgens de FML, en dat de beleidsregels weigering ziekengeld toepassing toestaan bij evident onjuiste arbeidskeuze, ook bij kortere dienstverbanden dan drie maanden. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen reden tot toewijzing van proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld wegens evidente ongeschiktheid voor de functie.

Uitspraak

09/4806 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 juli 2009, 09/381 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Beek, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding 09/4805 ZW, plaatsgevonden op 18 mei 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. Ruis. Na de zitting zijn beide zaken gesplitst.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, voorheen werkzaam als dakdekker, heeft zich vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, per 1 december 2004 ziek gemeld met rugklachten (lumbago/ischialgie). Bij de beoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op het einde van de wettelijke wachttijd heeft het Uwv vastgesteld, dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 29 november 2006 moet worden gesteld op minder dan 35%, omdat hij met aan zijn beperkingen
- vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 augustus 2007- aangepaste arbeid nog een inkomen van ten minste 65% van het zogenoemde maatmanloon kan verdienen. Nadien is appellant, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) ontving, vanaf 14 april 2008 tot 21 april 2008 als machine-operator werkzaam geweest bij [naam B.V.] (hierna: [B.V.]). Vervolgens heeft appellant wederom een Wwb-uitkering ontvangen en heeft hij op 7 en 8 september 2008 via Randstad uitzendbureau gewerkt als wasserijmedewerker. Op 9 september 2008 heeft hij zich ziek gemeld met onder andere rugklachten. Het Uwv heeft hem aanvankelijk per 11 september 2008 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Nadat een verzekeringsarts op 17 oktober 2008 rapport had uitgebracht, heeft het Uwv bij besluit van 24 november 2008 appellant per 21 oktober 2008 verdere uitkering ingevolge de ZW geweigerd, omdat de arbeidsongeschiktheid van appellant reeds bestond op 7 september 2008, de datum dat zijn verzekering (wederom) een aanvang nam, dan wel omdat zijn gezondheidstoestand bij aanvang van de verzekering het intreden van ongeschiktheid tot werken binnen een half jaar nadien kennelijk moest doen verwachten. In het kader van het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is op 27 februari 2009 rapport uitgebracht door C.G. van der Kooij, bezwaarverzekeringsarts, en op dezelfde datum door C.P.M. Harren, bezwaararbeidsdeskundige. Bij besluit van 27 februari 2009 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant in zoverre gegrond verklaard dat de ingangsdatum van de weigering van uitkering gesteld is op 25 november 2008; voor het overige heeft het Uwv het primaire besluit gehandhaafd.
2. Het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat blijkens het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Harren het werk van wasserijmedewerker onder meer bestond uit het gedurende hele dagen staand werk verrichten, terwijl appellant ingevolge de FML van 27 augustus 2007 juist beperkt is geacht ten aanzien van het staan tijdens het werk (maximaal 4 uren per dag). Het Uwv heeft dan ook in navolging van de bezwaarverzekeringsarts, met recht geconcludeerd dat de gezondheidstoestand van appellant ten tijde van de aanvang van zijn verzekering diens uitval binnen een half jaar nadien met grote mate van zekerheid moest doen verwachten.
3. Namens appellant is in hoger beroep, evenals in bezwaar en beroep, gesteld, dat het Uwv een onjuist gebruik heeft gemaakt van de in artikel 44, eerste lid, van de ZW opgenomen weigeringsbevoegdheid. Deze bevoegdheid dient volgens appellant alleen gehanteerd te worden in gevallen van misbruik, waarvan in zijn situatie geen sprake is. Hij is in het kader van zijn re-integratie gaan werken als wasserijmedewerker, welk werk zijns inziens niet veel zwaarder is dan de arbeid die bij de WIA-beoordeling als voor hem passend is geselecteerd. Hij hoefde dan ook niet te verwachten dat hij al zo snel zou uitvallen.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. Blijkens het eerder genoemd rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Harren, dat een verslag van een onderzoek op de werkplek bevat, is bij het werk van wasserijmedewerker bij appellants laatste werkgever sprake van een permanente sta-belasting nu er de gehele dag staand moet worden gewerkt, zulks in combinatie met (veel) bukken, tillen en torderen. Indien deze werkomschrijving -die door appellant niet is bestreden- wordt vergeleken met de FML van 27 augustus 2007, waarin beperkingen zijn opgenomen met betrekking tot, onder andere, het staan tijdens het werk (maximaal vier uur per dag), het buigen en het frequent buigen, dan kan -nu de verzekeringsartsen deze FML nog steeds actueel achten- slechts worden geconcludeerd, dat de desbetreffende arbeid evident ongeschikt was voor appellant en dat hij zich dit moet hebben gerealiseerd. Dat in het kader van de Wet WIA destijds ook enkele functies met enige sta-belasting zijn geselecteerd, doet daar niet aan af, nu het bij de onderhavige functie ging om het gedurende hele dagen staand werken. De Beleidsregels weigering ziekengeld bij bestaande of te verwachten ongeschiktheid (Stcrt. 2004-115) beogen weliswaar een terughoudend gebruik van de in artikel 44, eerste lid, van de ZW opgenomen bevoegdheid, maar staan toepassing ervan -ook- toe in het geval iemand korter dan drie maanden heeft gewerkt en sprake is van een evident onjuiste arbeidskeuze. Van dit laatste is in dit geval sprake. Het Uwv heeft naar het oordeel van de Raad ook overigens in redelijkheid kunnen komen tot het gebruik maken van de hiervoor bedoelde bevoegdheid.
4.3. Hetgeen onder 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding om een der partijen te veroordelen in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2011.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) M.D.F. de Moor.
KR