ECLI:NL:CRVB:2011:BR0163

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2748 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 9 november 2008 vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank Amsterdam verklaarde haar beroep ongegrond, stellende dat het medische onderzoek en de beoordeling van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts juist en volledig waren.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij meer beperkingen ondervindt dan het UWV heeft aangenomen en verzocht om benoeming van een deskundige of uitstel om zelf een deskundige te raadplegen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep geen doel treft omdat de functionele mogelijkhedenlijst van 2 september 2008 een juist beeld geeft van haar lichamelijke en psychische beperkingen.

De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben de medische situatie van appellante zorgvuldig beoordeeld, waarbij ook informatie van i-psy en de huisarts is betrokken. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat er geen sprake is van ernstige psychische stoornissen die beperkingen veroorzaken die het oordeel zouden moeten wijzigen. De Raad zag geen reden om het medische oordeel te wijzigen of een deskundige te benoemen.

De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissing tot intrekking van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

10/2748 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 april 2010, 09/759 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2011. Appellante was vertegenwoordigd door mr. Blom en het Uwv door mr. J. Visch.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 13 februari 2009 heeft het Uwv, beslissende in bezwaar, de WAO-uitkering van appellante met ingang van 9 november 2008 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht niet blijkt dat voor haar verdergaande beperkingen gelden dan door de verzekeringsarts of de bezwaarverzekeringsarts zijn aangenomen of dat het medische onderzoek anderszins onjuist of onvolledig is geweest. Appellante heeft haar standpunt dat haar psychische belastbaarheid is overschat niet onderbouwd.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Zij heeft verzocht een deskundige te benoemen om haar medische situatie te beoordelen dan wel de zaak aan te houden om haar in staat te stellen alsnog zelf een deskundige te raadplegen.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden die in beroep zijn ingediend en in hoger beroep zijn herhaald afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.
Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd leidt de Raad niet tot het oordeel dat de Functionele Mogelijkhedenlijst van 2 september 2008 geen juist beeld geeft van de lichamelijke en psychische beperkingen van appellante op de datum in geding. De verzekeringsarts heeft appellante op 1 september 2008 onderzocht, kennis genomen van de in het dossier aanwezige informatie en de brief van i-psy van 5 september 2008 bij haar beoordeling betrokken. I-psy heeft aangegeven dat sprake is van een matige depressie en dat het behandelbeleid is ontspanningsgroep en individuele behandeling gericht op persoonlijkheid. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante op de hoorzitting gezien en informatie van de huisarts van 4 februari 2009 bij haar beoordeling betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft beargumenteerd dat geen sprake is van de situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden en dat appellante een normale dagstructuur heeft met een vrijwel volledig gevuld dagverhaal. Zij heeft voorts aangegeven dat er geen sprake is van een ernstige psychische stoornis op grond waarvan er beperkingen zijn ten aanzien van herinneren en concentratie. Onder verwijzing naar het protocol ‘Depressie’ heeft zij er op gewezen dat werk ook een positieve betekenis heeft voor het (herstel van) gezond functioneren. De bezwaarverzekeringsarts acht dan ook geen reden aanwezig om het medische oordeel van de verzekeringsarts te wijzigen. Naar het oordeel van de Raad is deze conclusie voldoende onderbouwd. De Raad ziet dan ook geen redenen voor het raadplegen van een deskundige door de Raad of door appellante zelf.
4.3. Het hoger beroep treft geen doel.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) N.S.A. El Hana.
NK