ECLI:NL:CRVB:2011:BR0153
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J. Brand
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens niet vast te stellen recht door inkomsten uit arbeid
Appellant ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering ongegrond verklaarde. Het UWV had de uitkering per 1 januari 2005 beëindigd omdat het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld door toedoen van appellant.
Appellant stelde dat hij de jaarstukken over 2005 en 2006 niet kon overleggen vanwege verlies van zijn onderneming, ziekte, en medewerking van de curator. Tevens wees hij op een nog niet uitgevoerde herkeuring. De Raad vond de gronden onvoldoende en onderschreef de motivering van de rechtbank.
De Raad achtte het aannemelijk dat appellant in 2005 inkomsten uit arbeid had die bij de uitkeringsbepaling betrokken hadden moeten worden, mede op basis van verklaringen aan de reïntegratiedeskundige en rapporten van april en mei 2005 waaruit bleek dat het goed ging met het bedrijf.
Appellant was niet verschenen bij de zitting en had een uitnodiging voor een herbeoordelingsgesprek niet opgevolgd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens niet vast te stellen recht door inkomsten uit arbeid.