ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9855
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering halfwezenuitkering in homohuwelijk wegens ongerechtvaardigd onderscheid
Appellante, gehuwd met mevrouw B., vroeg een halfwezenuitkering aan voor haar dochter die zij kreeg via een spermadonor. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde deze uitkering omdat mevrouw B. niet als ouder van het kind werd erkend volgens het toen geldende afstammingsrecht, waardoor het kind geen halfwees was in de zin van de Algemene nabestaandenwet (ANW).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het onderscheid tussen heterohuwelijken en huwelijken van gelijk geslacht objectief gerechtvaardigd was vanwege het afstammingsrecht. In hoger beroep stelde appellante dat dit onderscheid discriminerend was en niet objectief gerechtvaardigd.
De Raad oordeelde dat het begrip 'ouder' in de ANW aansluit bij het Nederlandse afstammingsrecht, dat op dat moment geen ouderschap toekende aan de duomoeder zonder adoptie. Echter, het onderscheid tussen hetero- en homohuwelijken in de toekenning van de halfwezenuitkering was op grond van artikel 14 EVRM Pro slechts toegestaan bij zeer gewichtige redenen, die hier ontbraken.
De Raad constateerde dat de wetgever de intentie had om huwelijken gelijk te behandelen, maar dat de wetgeving ten tijde van het geschil (2006) nog niet volledig was aangepast. Gezien de omstandigheden en het ontbreken van mogelijkheden voor appellante om haar status te beïnvloeden, was er geen rechtvaardiging voor het onderscheid.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de Svb een nieuwe beslissing moet nemen, met vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de weigering van de halfwezenuitkering en beveelt een nieuwe beslissing.