ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9824
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- R.H.M. Roelofs
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en geldtransacties
Betrokkene ontving vanaf 11 juni 2001 bijstand, die per 1 juli 2006 werd beëindigd. De gemeente Den Haag ontdekte via onderzoek dat betrokkene geldtransacties had verricht naar het buitenland, zonder dit te melden, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormt. Op grond hiervan werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode 11 juni 2001 tot 30 juni 2006.
De rechtbank verklaarde de beroepen van betrokkene gegrond en vernietigde de besluiten, omdat de intrekking en terugvordering onterecht over de gehele periode werden toegepast, terwijl er geen transacties waren in sommige maanden. De Raad bevestigt dat intrekking en terugvordering alleen kunnen plaatsvinden over de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden. Voor de periode vóór 29 november 2005 waren er slechts sporadische transacties, waardoor intrekking en terugvordering beperkt moeten blijven tot die maanden.
Voor de periode vanaf 29 november 2005 tot 30 juni 2006 oordeelt de Raad anders: betrokkene is strafrechtelijk veroordeeld voor drugshandel en witwassen, wat het aannemelijk maakt dat zij niet slechts een katvanger was. Daarom blijft intrekking en terugvordering over deze periode gehandhaafd.
De Raad vernietigt het besluit van 15 oktober 2007 voor zover het betrekking heeft op intrekking en terugvordering over maanden zonder transacties en draagt appellant op een nieuw besluit te nemen voor de jaren 2001 tot en met 2005. Voor 2006 wordt een bedrag van €9.247,14 bruto teruggevorderd. Er is geen proceskostenveroordeling in hoger beroep.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is vernietigd voor maanden zonder transacties en bevestigd voor maanden met transacties, met een terugvordering van €9.247,14 over 2006.