ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9575

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4738 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening bestuursrechtelijke uitspraak UWV

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak van 18 juni 2010, waarin het hoger beroep tegen het UWV werd behandeld. De Raad bevestigde toen het besluit van het UWV, behoudens een opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.

Verzoeker stelde dat uit een rugscan van juli 2010 blijkt dat sprake is van een structurele scoliose, en voerde daarnaast aan dat eerdere zittingen niet eerlijk waren verlopen, het maatmanloon onjuist was berekend en dat er twijfels zijn over de onderzoeken door artsen van het UWV. De Raad overwoog dat het verzoek om herziening niet bedoeld is om een nieuwe discussie over de zaak te voeren of de juistheid van de uitspraak aan te vechten.

De Raad stelde vast dat het verzoek feitelijk een hernieuwde discussie betreft en dat geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb is aangevoerd. Daarom werd het verzoek om herziening afgewezen. Tevens werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

10/4738 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 juni 2010, 09/2116,
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 juni 2010, 09/2116, LJN BM8589.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft nadere stukken ingestuurd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011. Verzoeker is daarbij in persoon verschenen. Het Uwv is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
1.2. Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt verzocht, heeft de Raad - oordelend op het hoger beroep van verzoeker - de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 maart 2009, 08/1081, bevestigd behoudens voor zover daarbij aan het Uwv werd opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 april 2008 geheel in stand blijven, met veroordeling van het Uwv in de proceskosten van verzoeker in hoger beroep. De Raad heeft daarbij overwogen dat de door verzoeker aan zijn verzoek om - met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb - terug te komen van de rechtens onaantastbaar geworden besluiten van 30 september 2002 en 7 maart 2005 ten grondslag gelegde medische bescheiden onvoldoende overtuigende argumenten bevatten om het doorbreken van die besluiten te rechtvaardigen. Nu het Uwv de weigering om op die besluiten terug te komen in hoger beroep alsnog heeft voorzien van een toereikende motivering, is de Raad tot de hiervoor vermelde beslissing gekomen.
2. Verzoeker acht herziening van de uitspraak van de Raad van 18 juni 2010 aangewezen, omdat geoordeeld had moeten worden dat er sprake was van nieuwe feiten op grond waarvan de besluiten van 30 september 2002 en 7 maart 2005 niet in stand konden blijven. Verzoeker heeft hiertoe aangevoerd dat uit een op 19 juli 2010 door het Medisch Spectrum Twente vervaardigde rugscan blijkt dat bij hem sprake is van een “structurele scoliose”. Verzoeker meent ook - kort samengevat - dat eerdere zittingen niet eerlijk zijn verlopen, dat het Uwv het maatmanloon onjuist heeft berekend en dat bij de onderzoeken door de artsen van het Uwv vraagtekens kunnen worden gezet.
3.1. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 13 januari 2005, LJN AS3516, is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, eventueel op basis van nieuwe argumenten, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.
3.2. De Raad stelt vast dat het verzoek om herziening er in wezen op is gericht een nieuwe discussie te voeren over de juistheid van de uitspraak van 18 juni 2010 en dat er geen enkel nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb naar voren is gebracht.
3.3. Uit de overwegingen 3.1 en 3.2 volgt dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) T.J. van der Torn.
NW