ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9392

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5463 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 9 WWB
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen informatieve brief over medewerkingsverplichting WWB

Appellante, ontvanger van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), ontving een brief van het College waarin haar medewerkingsverplichtingen werden herhaald en een nader arbeidsintegratieonderzoek werd aangekondigd. Appellante maakte bezwaar tegen deze brief, stellende dat deze wel rechtsgevolgen heeft omdat het College een verplichting wilde opleggen.

Het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief van 24 september 2008 van informatieve aard was en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de brief geen rechtshandeling inhoudt en slechts een herhaling is van de reeds bestaande verplichtingen uit artikel 9 van Pro de WWB.

De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij deze beoordeling. De brief brengt geen wijziging in de rechtspositie van appellante mee en is niet gericht op rechtsgevolg. Het bezwaar was daarom niet gericht tegen een besluit en is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd omdat de brief geen besluit is en het bezwaar niet-ontvankelijk is.

Uitspraak

09/5463 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2009, 08/5028 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 7 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.M. van Til, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).
1.2. Bij brief van 24 september 2008 heeft het College aan appellante meegedeeld dat een nieuw onderzoek naar mogelijkheden voor arbeidsintegratie zal plaatsvinden, dat op
6 oktober 2008 daartoe een onderzoek zal plaatsvinden en dat het College ervan uitgaat dat appellante daaraan zal meewerken. Het College heeft voorts gemeld dat als appellante niet verschijnt of als appellante niet voldoende meewerkt aan het onderzoek, dat gevolgen kan hebben voor haar uitkering.
1.3. Bij besluit van 2 december 2008 heeft het College het bezwaar tegen de brief van
24 september 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat de brief van 24 september 2008 van informatieve aard is. De brief is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
2 december 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, in navolging van het College, geoordeeld dat de brief van 24 september 2008 niet gekwalificeerd kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb omdat deze geen rechtshandeling inhoudt. De brief is volgens de rechtbank van informatieve aard en vormt overigens slechts een herhaling van de in de WWB neergelegde medewerkingsverplichting, die rechtstreeks voortvloeit uit artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB en van rechtswege aan de bijstand is verbonden. De mededeling van het College dat het niet meewerken aan het onderzoek door appellante mogelijk rechtsgevolgen teweeg kan brengen, ziet volgens de rechtbank niet op rechtsgevolg vanwege het niet definitieve karakter daarvan.
3.1. Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft appellante in hoofdzaak aangevoerd dat wel sprake is van een rechtsgevolg, omdat het College heeft beoogd een verplichting voor appellante in het leven te roepen.
3.2. Het College heeft gemotiveerd gepersisteerd bij zijn in het besluit van 2 december 2008 neergelegde standpunt.
4. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het College het bezwaar tegen de brief van 24 september 2008 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.1. Evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan, beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. De Raad verenigt zich met de strekking van de aangevallen uitspraak en wijst er - onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie (CRvB 28 oktober 2008, LJN BG3650) - op dat in de brief van 24 september 2008 de van rechtswege ingevolge artikel 9 van Pro de WWB aan het recht op bijstand verbonden verplichtingen zijn herhaald. De brief strekt er slechts toe appellante daaraan te herinneren, brengt (nog) geen wijziging in haar bestaande rechtspositie teweeg en is derhalve niet op enig rechtsgevolg gericht.
4.2. Het bezwaar van appellante was derhalve niet gericht tegen een besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dan ook terecht het besluit van 2 december 2008 in stand gelaten.
4.3. Uit de overwegingen onder 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Rechtdoende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2011.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M. Pijper.
HD