ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- A.B.J. van der Ham
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging en terugvordering ANW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 1 december 2004 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat appellante vanaf 1 mei 2006 een gezamenlijke huishouding voerde met een huisgenoot, hetgeen zij niet had gemeld. Op grond hiervan werd de uitkering beëindigd en een bedrag van € 10.210,22 teruggevorderd. Tevens werd een boete van € 924 opgelegd wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overweegt dat aan het criterium van gezamenlijke huishouding is voldaan, omdat appellante en haar huisgenoot hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en blijk gaven van wederzijdse zorg, onder meer door het gezamenlijk dragen van kosten, het voeren van een gezamenlijke huishoudpot, het samen eten, en het verzorgen van elkaar bij ziekte.
De Raad benadrukt dat de aard van de onderlinge relatie en de motieven voor het voeren van een gezamenlijke huishouding niet relevant zijn. Het hoger beroep slaagt niet, de aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Ook worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging, terugvordering en boete worden bevestigd.