ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7822

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5482 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring bezwaar wegens te late indiening en gebrek aan verschoonbaarheid

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 10 juni 2011 uitspraak gedaan in hoger beroep over de niet-ontvankelijkheid van een bezwaarschrift van appellante, dat niet tijdig was ingediend. Appellante had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, waarbij haar bezwaar tegen een eerder besluit niet-ontvankelijk was verklaard. De rechtbank Haarlem had de eerdere uitspraak van de Minister bevestigd, en appellante ging hiertegen in hoger beroep.

De Raad overwoog dat appellante niet had aangetoond dat zij door een medewerker van de Minister onjuist was voorgelicht over de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift. Het beroep op schending van het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel werd verworpen. De Raad stelde vast dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet verder strekt dan het onderzoek naar de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De beoordeling van deze verschoonbaarheid staat los van de inhoudelijke beoordeling van de zaak, wat betekent dat er geen ruimte is voor een belangenafweging.

De uitspraak bevestigde dat het bezwaarschrift van appellante niet tijdig was ingediend en dat er geen redenen waren om de termijnoverschrijding als verschoonbaar te beschouwen. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagde en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitspraak

10/5482 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 augustus 2010, 09/1922 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).
Datum uitspraak: 10 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K.A.M. Rademaker, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Rademaker. Voor de Minister is verschenen mr. drs. E.H.A. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door de Minister. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
2. Bij besluit van 26 juni 2009 heeft de Minister het bezwaar van appellante gericht tegen het besluit van 27 maart 2009 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en er geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 juni 2009 ongegrond verklaard. Het oordeel van de rechtbank komt er - kort weergegeven - op neer dat het bezwaarschrift van 15 mei 2009 niet binnen de termijn, gesteld in artikel 6:7 jo. 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is ingediend. Van een reden om de termijnoverschrijding ingevolge artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar te achten is de rechtbank, in navolging van de Minister, niet gebleken.
4. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is op grond van schending van het vertrouwensbeginsel. In aanvulling hierop is gesteld dat het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel zijn geschonden. Het besluit van 27 maart 2009 berust op onjuiste gegevens van de Belastingdienst en is dientengevolge inhoudelijk onjuist.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. De Raad ziet geen aanknopingspunten om het oordeel van de rechtbank niet te volgen. Appellante is er ook in hoger beroep niet in geslaagd om voldoende te onderbouwen en daarmee aannemelijk te maken dat zij door een medewerker van de Minister onjuist is voorgelicht omtrent het tijdig indienen van een - voorlopig - bezwaarschrift. De Raad voegt hier aan toe dat de Inkomensverklaring van de Belastingdienst, waar appellante meende op te moeten wachten alvorens een bezwaarschrift moest worden ingediend, is gedateerd op 4 mei 2009, zodat niet valt in te zien dat appellante na ontvangst hiervan niet tijdig een bezwaarschrift heeft kunnen indienen.
5.3. Het beroep van appellante op schending van het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel faalt. Indien een bezwaarschrift niet tijdig is ingediend strekt het zorgvuldigheidsbeginsel niet verder dan dat door het bestuursorgaan onderzocht moet worden of er reden is de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
De Raad overweegt verder dat de beoordeling van de al dan niet verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding voorafgaat aan, en geheel los staat van de inhoudelijke beoordeling van de zaak, zodat geen ruimte bestaat voor het maken van een belangenafweging.
5.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) R.L. Venneman.
NK