ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7714

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-284 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen zonder nieuwe feiten

Appellante, werkgever van een werkneemster, kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen, verlengd met 52 weken na de normale wachttijd van 104 weken. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, maar verzocht later om herziening op grond van nieuwe feiten.

De rechtbank Zutphen verklaarde het beroep ongegrond omdat de aangevoerde omstandigheden geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vormden volgens artikel 4:6 Awb Pro. De Raad overwoog dat het UWV bij het opleggen van de loonsanctie al op de hoogte was van de werkzaamheden van de werkneemster voor een PGB-houder, hetgeen niet als nieuw kan worden aangemerkt.

De Raad bevestigt dat bij verzoeken om terugkomen op een besluit nieuwe feiten of omstandigheden moeten worden aangetoond. Aangezien appellante dit niet heeft gedaan, wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De loonsanctie wordt bevestigd omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn gebleken.

Uitspraak

10/284 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 december 2009, 09/260 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft met toestemming van partijen het onderzoek ter zitting achterwege gelaten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 20 november 2006 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werkneemster] (hierna: de werkneemster) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. De verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting aan de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en dat een deugdelijke grond voor dit verzuim ontbreekt. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.
1.2. Bij brief van 9 juli 2008 heeft appellante het Uwv verzocht van voormeld besluit terug te komen. Bij besluit van
12 september 2008 heeft het Uwv dit geweigerd omdat niet was gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die ertoe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn. Bij besluit van 19 januari 2009 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 12 september 2008 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 19 januari 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de door appellante aangevoerde omstandigheden geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vormen als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De omstandigheid dat de werkneemster naast haar werkzaamheden voor appellante tevens werkzaam was voor een houder van een persoonsgebonden budget (PGB) was bij het Uwv ten tijde van het opleggen van voornoemde loonsanctie bekend. Dat de arbeidsdeskundige destijds van deze werkzaamheden in zijn rapport geen melding heeft gemaakt kan daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen.
3. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt als volgt.
3.1. Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld mag ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad, in overeenstemming met hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.
3.2. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat de rechter vervolgens bij zijn beoordeling van een met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb genomen besluit het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt dient te nemen en zich in beginsel dient te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
3.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het Uwv was bij het opleggen van de loonsanctie ervan op de hoogte dat de werkneemster tevens werkzaam was voor een PGB-houder. Op haar aanvraag om uitkering ingevolge de Wet WIA van 16 oktober 2006 heeft de werkneemster dit ook expliciet vermeld. Dat appellante niet op de hoogte zou zijn geweest van deze werkzaamheden is gezien het onder 3.1 en 3.2 weergegeven beoordelingskader niet relevant.
3.4. Hetgeen hiervoor onder 3.1 tot en met 3.3 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om te komen tot een proceskostenveroordeling ingevolge artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. Boer.
JL