ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7602
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens ontbreken hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant diende op 24 juni 2008 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Nijmegen wees de aanvraag af omdat uit onderzoek bleek dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres. Dit werd onder meer vastgesteld aan de hand van een huisbezoek en gesprekken waarbij appellant geen persoonlijke bezittingen kon tonen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat de inschrijving in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) niet doorslaggevend is voor het bepalen van het hoofdverblijf. De Raad baseerde zich op concrete feiten en omstandigheden, waaronder de bevindingen van het huisbezoek en verklaringen van de hoofdbewoonster.
De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had, mede omdat hij geen eigen kamer had en geen persoonlijke bezittingen kon tonen. Ook het huurcontract en een verklaring van de hoofdbewoonster konden dit niet veranderen. Hierdoor was de inlichtingenverplichting geschonden en was het recht op bijstand niet vast te stellen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.