ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting niet rechtmatig met toepassing artikel 54 lid 4 WWB
Appellante ontving vanaf november 2004 bijstand op grond van de WWB. Uit een onderzoek naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst bleek dat zij een bankrekening niet had opgegeven, waarna het College de bijstand opschortte en uiteindelijk introk met toepassing van artikel 54, vierde lid, WWB. Appellante gaf niet binnen de gestelde termijn de gevraagde bankafschriften over.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de intrekking ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de opschortingstermijn van acht weken was verstreken toen het College het besluit tot intrekking nam. Hierdoor kon artikel 54, vierde lid, niet als formele bevoegdheidsgrondslag worden gebruikt. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het beroep gegrond.
Echter, de Raad oordeelde dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken op grond van artikel 54, derde lid, WWB vanwege de voortdurende schending van de inlichtingenverplichting en onduidelijkheid over de financiële situatie van appellante. Het College werd veroordeeld in de proceskosten en moest het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van bijstand op grond van artikel 54 lid 4 WWB wordt vernietigd, met instandhouding van intrekking op grond van lid 3 WWB.