ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7379

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2123 ZW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:86 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn Ziektewetuitkering per 22 maart 2010 te beëindigen omdat hij geschikt werd geacht om te werken. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening om zijn uitkering direct te hervatten.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep overwoog dat voor het treffen van een voorlopige voorziening sprake moet zijn van onverwijlde spoed en een spoedeisend belang. Verzoeker heeft echter geen stukken overgelegd die een financiële noodsituatie onderbouwen en heeft ook geen bijstand aangevraagd. Daarnaast verklaarde hij dat zijn echtgenote inkomsten heeft en hij door familie wordt ondersteund.

Daarom oordeelde de voorzieningenrechter dat er geen zwaarwegend belang is dat de bodemprocedure niet kan worden afgewacht en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend financieel belang.

Uitspraak

11/2123 ZW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 september 2010, 10/1823 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 1 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. H. van Straten, advocaat te Tiel, een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Van Straten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
2. Bij besluit van 15 maart 2010 heeft het Uwv verzoeker meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 22 maart 2010 wordt beëindigd, omdat verzoeker op die datum geschikt wordt geacht om zijn arbeid te verrichten. Bij besluit van 18 mei 2010 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 15 maart 2010 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak van 9 september 2010 heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In zijn verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft hij verzocht om de voorlopige voorziening te treffen inhoudende het onmiddellijk en onverkort hervatten en uitbetalen van de aan hem vanaf de datum 22 maart 2010 toekomende uitkering ingevolge de ZW tot het moment waarop in hoger beroep is beslist.
5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
5.1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 2 december 2003 (LJN AO0764), de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.
5.3. Namens verzoeker is aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat verzoeker als gevolg van het besluit van 15 maart 2010 niet meer de beschikking heeft over een uitkering, waardoor hij niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien.
5.4. De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval in het bijzonder toe op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht.
5.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. In dit verband laat de voorzieningenrechter in het bijzonder wegen dat van de zijde van verzoeker in het geheel geen stukken in het geding zijn gebracht welke kunnen dienen ter onderbouwing van zijn stellingen met betrekking tot zijn financiële noodsituatie. Voorts kan er niet aan worden voorbijgezien dat verzoeker na de intrekking van zijn ZW-uitkering nimmer een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand heeft gedaan. Desgevraagd naar de reden heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij niet voor een bijstandsuitkering in aanmerking komt, aangezien zijn echtgenote inkomsten uit arbeid geniet. Voorts heeft verzoeker nog aangegeven dat hij door familie ondersteund wordt.
5.6. Ook op andere wijze is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.
6. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) R.L. Rijnen.
TM