ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, werkzaam als schoonmaker, viel in 1999 uit wegens rugklachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. In 2008 vond een herbeoordeling plaats waarbij een arts van het UWV, na onderzoek en overleg met een zenuwarts, beperkingen vaststelde in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vanwege rug- en knieklachten en psychische draagkracht. De arbeidsdeskundige concludeerde dat de arbeidsgeschiktheid op 25 tot 35% moest worden vastgesteld.
Appellant stelde in bezwaar en beroep dat hij meer beperkingen had, met name vanwege een obstructief apnoesyndroom dat hij op 31 oktober 2008 al zou hebben gehad. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen objectief medisch bewijs was dat appellant op die datum reeds aan dit syndroom leed. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en vond het medisch onderzoek zorgvuldig. De verklaring van de huisarts toonde aan dat de verwijzing naar een KNO-arts pas in 2010 plaatsvond.
De Raad zag geen aanleiding om de arbeidskundige beoordeling te betwisten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Hiermee blijft de herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid.