ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6576

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6478 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking WAO-uitkering bevestigd ondanks betwisting belastbaarheid en proceskostenvergoeding toegekend

Appellante betwistte de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV en voerde aan dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen, mede gezien haar fibromyalgiesyndroom. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard vanwege een procedurele tekortkoming, maar handhaafde de inhoudelijke beoordeling dat appellante geschikt is voor bepaalde functies.

In hoger beroep bevestigde de Raad dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, inclusief de rapporten van de orthopedisch chirurg en bezwaarverzekeringsarts, zorgvuldig en juist was. De klachten van appellante konden niet worden geobjectiveerd, maar er waren wel beperkingen vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst. De Raad vond geen overschatting van haar belastbaarheid.

Daarnaast oordeelde de Raad dat appellante recht heeft op vergoeding van proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, en vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze dat had afgewezen. Het UWV werd veroordeeld tot betaling van deze kosten en het griffierecht.

De Raad handhaafde daarmee het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering, maar verbeterde de proceskostenregeling ten gunste van appellante.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor beroepsmatige rechtsbijstand.

Uitspraak

09/6478 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 november 2009, 09/1846 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.2. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 24 december 2008 heeft het Uwv bij besluit van 3 juni 2009 (hierna: bestreden besluit) zijn eerdere besluit van 15 oktober 2007, inhoudende de intrekking van appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 16 december 2007, gehandhaafd.
2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe is overwogen dat appellante ten aanzien van de rapporten die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, te weten die van de door het Uwv ingeschakelde orthopedisch chirurg P.A.G.M. Bakx van 11 mei 2009 en van bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe van 29 mei 2009, ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld haar bezwaren daartegen mondeling toe te lichten. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat het Uwv met het nadere onderzoek van zowel Bakx als Van de Merwe voldoende inhoud heeft gegeven aan hetgeen in haar uitspraak van 24 december 2008 is aangegeven.
De genoemde rapportages bieden naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun voor de conclusie dat appellante in staat is om de geduide functies te verrichten.
Voor zover appellante heeft betoogd dat het inschakelen van een reumatoloog, vanwege de aard van de klachten, voor een expertiseonderzoek meer voor de hand lag dan een orthopedisch chirurg heeft de rechtbank geoordeeld dat laatstgenoemde ook over de medische expertise beschikt om terzake een verantwoorde uitspraak te doen. Voorts bestaat de mogelijkheid om te adviseren de onderzochte nog door een arts met een ander specialisme te doen onderzoeken, maar daarvan heeft de orthopedisch chirurg afgezien.
De rechtbank heeft – ten slotte – geen aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, bestaande uit de kosten voor het opvragen van medische inlichtingen en de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
3. In hoger beroep voert appellante – samengevat weergegeven – aan dat met haar klachten ten gevolge van het fibromyalgiesyndroom en de daaruit voortvloeiende beperkingen in onvoldoende mate rekening is gehouden. Ter ondersteuning heeft appellante een in het kader van een WSW-aanvraag opgesteld rapport van bedrijfsarts
A. Klepke van 9 september 2008 ingebracht alsmede een rapport van Instituut Psychosofia van 4 januari 2010. Voorts kan appellante zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank betreffende de weigering van de proceskostenvergoeding.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. Wat betreft de door het Uwv ingeschakelde deskundige heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom de keuze voor orthopedische chirurg Bakx gerechtvaardigd was.
4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts, dat mede steunt op de bevindingen van orthopedisch chirurg Bakx, onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat alle voor de beoordeling relevante (medische) gegevens bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn betrokken en dat is aangegeven op welke wijze deze informatie is meegewogen.
De Raad wijst in dit verband op de uitgebrachte rapportages van bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe. Ondanks dat de klachten van appellante niet konden worden geobjectiveerd, zijn er in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 9 mei 2007 beperkingen opgenomen ten aanzien van de rubrieken persoonlijk functioneren, aanpassing aan de fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Het is de Raad niet gebleken dat de mogelijkheden van appellante hiermee zijn overschat. Wat betreft de door appellante ingebrachte informatie van Psychosofia verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak ter zake van informatie afkomstig van dit instituut. Dat betekent dat de informatie van Psychosofia niet leidt tot twijfel over de mate waarin appellante belastbaar is.
4.4. In de overgelegde informatie van de bedrijfsarts Klepke van 9 september 2008 ziet de Raad evenmin reden voor twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Daartoe overweegt de Raad dat bedrijfsarts Klepke geen medische objectivering heeft kunnen vinden voor de klachten van appellante. Aan het door Klepke opgestelde belastbaarheidsprofiel kan daarom niet de waarde worden toegekend die appellante daaraan gehecht wil zien. Voorts behoort het tot de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts om een ziekte of gebrek te herleiden naar arbeidsbeperkingen.
4.5. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde FML van 9 mei 2007 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante in staat moet zijn de haar voorgehouden functies, te weten vleeswarenmaker (SBC-code 271070), parkeercontroleur (SBC-code 342022) en wikkellaar (SBC-code 267050), te vervullen. In de rapportage van arbeidsdeskundige B. van Eck van 25 september 2007 acht de Raad de passendheid van deze functies voldoende toegelicht.
5. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad dat de rechtbank het verzoek tot een veroordeling in de kosten in verband met het opvragen van medische inlichtingen op juiste gronden heeft afgewezen. Anders dan de rechtbank is de Raad wel van oordeel dat appellante in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding voor zover het om door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand gaat. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het Uwv te veroordelen in appellantes kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep ter hoogte van € 644,-. Dientengevolge acht de Raad ook termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep ter hoogte van € 874,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover is nagelaten het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten voor appellante in beroep tot een bedrag van
€ 644;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten voor appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 874;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 110,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
TM