ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 2004 bijstand als alleenstaande. Na een melding van mogelijke fraude heeft de sociale recherche onderzoek gedaan naar haar woonsituatie met [H.]. Uit verklaringen van appellante, [H.] en omwonenden bleek dat zij vanaf maart tot augustus 2007 een gezamenlijke huishouding voerden, met hoofdverblijf op het adres van appellante.
Het College van burgemeester en wethouders heeft daarop de bijstand over die periode ingetrokken en de kosten van de bijstand teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en wees ook haar verzoek tot vergoeding van de bezwaarkosten af.
In hoger beroep betoogde appellante dat er geen gezamenlijke huishouding was en dat de kostenvergoeding ten onrechte werd afgewezen. De Raad oordeelde dat op basis van objectieve criteria en de wederzijdse zorg tussen appellante en [H.] sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Raad sloot zich aan bij de rechtbank en het College en wees het hoger beroep af.
De Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en bevestigde de eerdere uitspraak. De beslissing is genomen door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 mei 2011.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd; het hoger beroep wordt afgewezen.