ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door minister
De minister van Veiligheid en Justitie had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, maar trok dit hoger beroep later in. Betrokkene verzocht daarop om veroordeling van de minister in de proceskosten van het hoger beroep. De Raad stelde vast dat de minister reeds door de rechtbank was veroordeeld tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg, zodat alleen de kosten in hoger beroep ter beoordeling stonden.
De minister voerde verweer dat de gemaakte afspraken in de vaststellingsovereenkomst, die tot intrekking van het hoger beroep hadden geleid, ook de proceskosten in hoger beroep omvatten. Betrokkene stelde dat de regeling alleen betrekking had op de schadevergoeding en dat proceskosten separaat beoordeeld moesten worden.
De Raad oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst niet uitdrukkelijk of stilzwijgend de proceskosten in hoger beroep omvatte en verwierp het verweer van de minister. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep, begroot op € 483,-. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 mei 2011.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep van € 483,-.