ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5040
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek en hoor en wederhoor
Appellant meldde zich ziek op 6 augustus 2008 wegens long-, knie- en rugklachten en ontving aanvankelijk een WW-uitkering. Het UWV besloot op 1 oktober 2008 het ziekengeld te beëindigen, omdat appellant volgens verzekeringsarts R. Gart geschikt was voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit. Tijdens de bezwaarfase onderzocht bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe appellant en concludeerde dat appellant vanaf 12 december 2008 arbeidsgeschikt was, ondanks enkele klachten.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het hoor en wederhoor-beginsel niet was geschonden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet bekend was met na de hoorzitting toegevoegde stukken en dat de beoordeling onjuist was omdat hij vanwege longklachten niet kon werken.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het recht op ziekengeld volgens artikel 19 ZW Pro afhankelijk is van geschiktheid voor de laatst verrichte arbeid, met uitzondering van langdurige ziekte waarbij gangbare arbeid als maatstaf geldt. De Raad vond het medisch onderzoek zorgvuldig en vond dat appellant geschikt was voor de geduide functies. Het hoor en wederhoor-beginsel was niet geschonden omdat de toegevoegde stukken geen nieuwe feiten bevatten die opnieuw horen vereisten.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 12 december 2008.