ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen sinds 2003 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en woonden op een adres te [woonplaats]. Bij de aanvraag gaven zij aan bij de schoonzuster van appellant in te wonen. Uit rapportages bleek echter dat de schoonzuster sinds september 2005 niet meer woonde op dat adres en dat appellanten inkomsten ontvingen van familie en vrienden die zij niet hadden gemeld.
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage besloot daarom de bijstand over de periode van september 2005 tot november 2007 te herzien en terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, wat zij in hoger beroep bestreden.
De Raad oordeelde dat appellanten terecht werden verweten dat zij de wijziging in woonsituatie en de ontvangen gelden niet hadden gemeld, wat een voor de bijstand relevante omstandigheid is. De Raad vond dat het College duidelijk had aangegeven welke informatie verlangd werd en dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij recht hadden op bijstand over de betwiste periode.
Ook matiging van de terugvordering werd afgewezen, omdat het College conform beleid handelde en appellanten geen bijzondere omstandigheden hadden aangevoerd. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en legde geen proceskosten op.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.