ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4826
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens niet behouden werk en weigering algemeen geaccepteerde arbeid
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant begon een re-integratietraject en werkte tijdelijk als meubelstoffeerder, maar werd ontslagen vanwege zijn oncoöperatieve houding en ontevredenheid over het salaris. Vervolgens weigerde appellant een aangeboden functie als productiemedewerker bij een wasserij, omdat hij niet gemotiveerd was en geen ervaring had.
Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam verlaagde daarom de bijstand met 100% voor respectievelijk een maand en twee maanden, vanwege het niet behouden van werk en het niet naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellant zijn werk door eigen toedoen niet heeft behouden en dat weigering van het eenvoudig aanvaarde werk bij de wasserij niet gerechtvaardigd was. De verlagingen waren in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen en de individuele omstandigheden van appellanten gaven geen aanleiding tot een andere afstemming. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant zijn werk door eigen toedoen verloor en het aangeboden werk bij de wasserij weigerde.