ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand sinds 1993 en verrichtte werkzaamheden op een standplaats waarvoor hij een huurovereenkomst had. Het College stelde vast dat appellant nagelaten had deze werkzaamheden en de inkomsten daaruit te melden, wat een schending van zijn inlichtingenverplichting opleverde. Hierdoor werd de bijstand over de periode 2005 tot en met 2005 herzien en ingetrokken, en werd een bedrag van €23.059,76 teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij onvoldoende informatie had verstrekt over zijn werkzaamheden en inkomsten. In hoger beroep stelde appellant dat de fiscus een redelijk beeld van zijn inkomsten kon geven en dat zijn inkomsten marginaal waren, waardoor terugvordering niet gerechtvaardigd was.
De Raad oordeelde dat de werkzaamheden als op geld waardeerbare werkzaamheden moeten worden beschouwd en dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen concrete en verifieerbare gegevens te verstrekken. De door appellant overgelegde jaarrekeningen en fiscale gegevens werden verworpen door de Belastingdienst vanwege onbetrouwbaarheid. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of appellant recht had op bijstand over de periode in kwestie.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer op 3 mei 2011.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd wegens het niet verstrekken van concrete en verifieerbare informatie over werkzaamheden en inkomsten.