ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3909

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2426 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81, eerste lid, aanhef en onder f, ARARArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging disciplinaire straf wegens plichtsverzuim medior complexbeveiliger

Appellant, werkzaam als medior complexbeveiliger bij een Penitentiaire Inrichting, kreeg een disciplinaire straf opgelegd door de minister van Veiligheid en Justitie wegens plichtsverzuim. De straf betrof het verminderen van zijn salaris met één jaarlijkse periodieke verhoging over een bepaalde periode. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze straf ongegrond.

In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat appellant zich op een dag van ziekteverzuim niet aan het protocol had gehouden door niet bereikbaar te zijn en bewust een huisbezoek van een verzuimcontroleur te ontlopen. Daarnaast werd vastgesteld dat appellant misbruik had gemaakt van de justitiehuisstijl door onjuiste verklaringen op te stellen en aan te bieden ter ondertekening, waarmee de indruk werd gewekt dat het om officiële documenten ging.

De Raad vond dat deze gedragingen als plichtsverzuim moeten worden aangemerkt en dat de opgelegde disciplinaire straf niet onevenredig was. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens wees de Raad een verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de disciplinaire straf wegens plichtsverzuim en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

10/2426 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 18 maart 2010, 09/537 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: minister)
Datum uitspraak: 7 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2011. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Hehenkamp, R. Boer en A. Rekker, allen werkzaam bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant is werkzaam als medior complexbeveiliger bij de Penitentiaire Inrichting (hierna: P.I.).
1.2. Nadat de minister zijn voornemen daartoe aan appellant had kenbaar gemaakt en deze zich ter zake schriftelijk en mondeling had verantwoord, heeft de minister bij besluit van 17 oktober 2008 met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder f, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) als disciplinaire straf het salaris van appellant over de periode van 1 november 2009 tot en met 1 november 2010 met één (jaarlijkse) periodieke verhoging verminderd. Bij het bestreden besluit van 29 juni 2009 heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 oktober 2008 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf zal plaatsvinden over de periode van 1 juli 2009 tot 1 juli 2010.
1.3. Aan de appellant opgelegde disciplinaire straf heeft de minister de volgende door hem als plichtsverzuim aangemerkte gedragingen van appellant ten grondslag gelegd.
1. Appellant heeft zich niet gehouden aan de uit het protocol ziekteverzuim voortvloeiende verplichting op 29 juli 2008 tussen 10.00 en 12.00 uur en tussen 14.00 en 16.00 uur bereikbaar te zijn voor de organisatie.
2. Appellant heeft misbruik gemaakt van de justitiehuisstijl door een eigen verklaring ten bate van een letselschadebureau in de huisstijl van de P.I. op te maken en deze ter ondertekening aan te bieden aan de teamleider Beveiliging De B, waarmee de indruk zou worden gewekt dat het om een formele brief van de P.I. ging. Een soortgelijke verklaring, echter niet in de huisstijl, heeft appellant opgesteld voor de sportinstructeur W, die deze na wijziging heeft getekend. Beide verklaringen bevatten meningen over de inzet en gezondheid van appellant die, naar appellant wist, niet door de organisatie en de arbodienst worden onderschreven.
3. Appellant heeft bewust een hoger bedrag aan reiskostenvergoeding gedeclareerd dan waarop hij volgens de regelgeving recht had.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. Over de onder 1.3 ad 1 vermelde gedraging overweegt de Raad dat appellant zich op 29 juli 2008 had ziek gemeld en daarom op die dag bereikbaar moest zijn voor de organisatie, als aangegeven in het hem in mei 2008 uitgereikte ziekteverzuimprotocol. Een verzuimcontroleur heeft die dag om 11.55 uur bij appellant thuis aangebeld. Appellant heeft de deur niet geopend, omdat hij dacht dat het om buurtkinderen zou gaan die vaker bij hem aanbelden. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat appellant er hiermee bewust voor heeft gekozen de controleur mis te lopen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat een huisbezoek een normale wijze van controle is die ook appellant bekend had kunnen en moeten zijn. Deze gedraging is als plichtsverzuim te beschouwen. De in hoger beroep door appellant opgeworpen stelling dat de controleur (ook nog) had moeten proberen hem te bereiken door het nummer van zijn (privé) mobiele telefoon te bellen, deelt de Raad niet. Ook als hierover anders zou worden geoordeeld, zou dit aan genoemd plichtsverzuim nog niet wezenlijk afdoen.
3.2. Ook de onder 1.3 ad 2 vermelde gedraging plichtsverzuim. Eerder had het hoofd Beveiliging B inlichtingen aan het letselschadebureau verstrekt in verband met een appellant op 4 mei 2005 overkomen ongeval. Kennelijk was dit niet naar tevredenheid van appellant. Dit had voor appellant reden kunnen zijn hierover te overleggen met B.
In plaats daarvan heeft appellant eerder genoemde verklaring opgesteld en deze ter ondertekening aan zijn teamleider voorgelegd. Deze heeft geweigerd te ondertekenen.
Dit neemt niet weg dat appellant op dit punt niet integer heeft gehandeld.
3.3. Over de onder 1.3 ad 3 vermelde gedraging bestaat tussen partijen in hoger beroep geen geschil. Daarmee staat deze gedraging als plichtsverzuim vast.
3.4. Gezien het vorenstaande is bepaald geen plaats voor het oordeel dat de appellant opgelegde disciplinaire straf onevenredig is aan de hem verweten gedragingen. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2011.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) B. Bekkers.
RB