ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3727
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en onderverhuur woning
Appellant diende op 22 september 2006 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze aanvraag werd aanvankelijk afgewezen omdat appellant niet woonachtig was op het opgegeven adres. Na bezwaar en voorlopige voorziening werd bijstand toegekend, maar het College stelde een onderzoek in naar de woonsituatie en het vermogen van appellant.
Uit het onderzoek, inclusief verklaringen van onderhuurders en buurtbewoners, bleek dat appellant zijn woning aan derden verhuurde terwijl hij elders verbleef. Het College trok daarop de bijstand in over meerdere perioden en vorderde de kosten terug. Appellant voerde aan wel op het adres te hebben gewoond, maar kon dit niet overtuigend onderbouwen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde het besluit tot intrekking van bijstand over de periode van 22 september 2006 tot en met 13 maart 2007 vanwege schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelde dat het College terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot intrekking en dat appellant niet had aangetoond recht op bijstand te hebben gedurende de betwiste periode.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en onderverhuur wordt bevestigd.