ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3678
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Appellante, werkgever van een zieke werkneemster, kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Deze sanctie hield in dat de loondoorbetalingsperiode tijdens ziekte met 52 weken werd verlengd. De rechtbank Alkmaar verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en oordeelde dat zij onvoldoende inspanningen had verricht om werkhervatting te bevorderen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij actief en adequaat had gereageerd op het re-integratieproces en dat zij mocht afgaan op de adviezen van de arbodienst. Het UWV stelde dat appellante verantwoordelijk bleef voor de re-integratie en dat de adviezen van de arbodienst niet konden leiden tot het ontbreken van re-integratie-inspanningen.
De Raad overwoog dat de rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen voldoende onderbouwing boden voor het standpunt van het UWV. Werkneemster beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden en er was onvoldoende onderzoek gedaan naar werkhervatting in het eerste en tweede spoor. De Raad bevestigde dat de werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie, ook als zij zich baseert op adviezen van de arbodienst. De loonsanctie werd daarom in stand gelaten.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door de werkgever wordt bevestigd.