ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3341
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.F. Bandringa
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder opgave
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het College stelde na onderzoek door sociale recherche vast dat zij en appellant een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden. De bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 23 april 2004 tot 30 september 2007. Appellant ontving bijstand als alleenstaande vanaf 25 juli 2007, welke eveneens werd ingetrokken.
De Raad beoordeelde of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en of sprake was van wederzijdse zorg. Verklaringen van appellante, buurtbewoners en verklaringen van appellant en derden ondersteunden het standpunt van het College. Appellanten konden niet aantonen dat hun rechten uit artikel 6 EVRM Pro waren geschonden.
De Raad oordeelde dat appellanten niet als zelfstandige bijstandgerechtigden konden worden aangemerkt en dat het College terecht de bijstand introk en terugvorderde. Ook wees de Raad het beroep af tegen de afwijzing van een nieuwe aanvraag bij gebrek aan gewijzigde omstandigheden. Het beroep van appellante tegen de terugvordering werd deels toegewezen, het beroep van appellant afgewezen.
De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten aan appellante. De uitspraak bevestigt het belang van correcte opgave van gezamenlijke huishouding bij bijstandsverlening en de reikwijdte van het begrip gezamenlijke huishouding onder de WWB.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder opgave wordt bevestigd, nieuwe aanvraag afgewezen wegens ontbreken gewijzigde omstandigheden.