ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herhaald verzoek om militair diensttijdpensioen wegens onvoldoende diensttijd
Appellant, geboren in 1940, diende vrijwillig bij de zeedienst van 1956 tot 1963 en verzocht in 1998 om een militair diensttijdpensioen. Dit verzoek werd afgewezen omdat hij niet aan de minimumdiensttijd van vijf jaren voldeed; zijn werkelijke diensttijd bedroeg vier jaar, elf maanden en vijftien dagen. In 2007 en 2008 deed appellant herhaalde verzoeken om toekenning van het pensioen, die eveneens werden afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het laatste besluit ongegrond, omdat het verzoek moest worden gezien als een poging om terug te komen op het onherroepelijke besluit uit 1998 zonder nieuwe feiten of omstandigheden aan te voeren. Appellant stelde ter zitting dat hij na zijn diensttijd was opgeroepen voor een mobilisatieoefening van ongeveer drie weken, maar dit werd niet als nieuw feit beschouwd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze beoordeling en overweegt dat de mobilisatieoefening niet als nieuwe of veranderde omstandigheid geldt, aangezien appellant dit al in 1998 had kunnen aanvoeren. Bovendien is de duur van de mobilisatieoefening niet relevant voor het recht op diensttijdpensioen volgens de Pensioenwet voor de zeemacht 1922. Daarom is het bestreden besluit terecht en wordt het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het herhaalde verzoek om militair diensttijdpensioen wordt afgewezen wegens onvoldoende diensttijd en het ontbreken van nieuwe feiten.