ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2498

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-784 MPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 10 Pensioenwet voor de zeemacht 1922Art. 9 Pensioenwet voor de zeemacht 1922
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herhaald verzoek om militair diensttijdpensioen wegens onvoldoende diensttijd

Appellant, geboren in 1940, diende vrijwillig bij de zeedienst van 1956 tot 1963 en verzocht in 1998 om een militair diensttijdpensioen. Dit verzoek werd afgewezen omdat hij niet aan de minimumdiensttijd van vijf jaren voldeed; zijn werkelijke diensttijd bedroeg vier jaar, elf maanden en vijftien dagen. In 2007 en 2008 deed appellant herhaalde verzoeken om toekenning van het pensioen, die eveneens werden afgewezen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het laatste besluit ongegrond, omdat het verzoek moest worden gezien als een poging om terug te komen op het onherroepelijke besluit uit 1998 zonder nieuwe feiten of omstandigheden aan te voeren. Appellant stelde ter zitting dat hij na zijn diensttijd was opgeroepen voor een mobilisatieoefening van ongeveer drie weken, maar dit werd niet als nieuw feit beschouwd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze beoordeling en overweegt dat de mobilisatieoefening niet als nieuwe of veranderde omstandigheid geldt, aangezien appellant dit al in 1998 had kunnen aanvoeren. Bovendien is de duur van de mobilisatieoefening niet relevant voor het recht op diensttijdpensioen volgens de Pensioenwet voor de zeemacht 1922. Daarom is het bestreden besluit terecht en wordt het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het herhaalde verzoek om militair diensttijdpensioen wordt afgewezen wegens onvoldoende diensttijd en het ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

09/784 MPW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 januari 2009, 08/3139 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (hierna: minister)
Datum uitspraak: 14 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Appellant is met bericht niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Geldof van Doorn, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.
II. OVERWEGINGEN
1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.
2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
2.1. Appellant, geboren in 1940, heeft op basis van een vrijwillige verbintenis gediend bij de zeedienst vanaf 26 november 1956 tot 1 januari 1963.
2.2. In maart 1998 heeft appellant verzocht om toekenning van een militair diensttijdpensioen. Bij besluit van 14 september 1998 heeft de minister dit verzoek afgewezen, omdat niet aan de minimum diensttijdeis van vijf jaren wordt voldaan. De minister heeft daarbij opgemerkt dat de werkelijke diensttijd van appellant vier jaren, elf maanden en vijftien dagen bedraagt.
2.3. In oktober 2007 heeft appellant nogmaals verzocht om toekenning van een militair diensttijdpensioen. Bij besluit van 13 december 2007 heeft de minister ook dit verzoek afgewezen.
2.4. Bij besluit van 29 januari 2008 heeft de minister naar aanleiding van een herhaald verzoek om diensttijdpensioen dit verzoek wederom afgewezen. De minister heeft ook bij dit besluit opgemerkt dat niet aan de voorwaarde van een minimum diensttijd van vijf jaren wordt voldaan. Het tegen dit besluit gemaakt bezwaar is bij besluit van 8 april 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bij besluit van 29 januari 2008 afgewezen verzoek moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het in rechte onaantastbare besluit van 14 september 1998. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister dit verzoek na een inhoudelijke beoordeling heeft afgewezen. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat appellant ter zitting nog heeft opgemerkt dat hij na het einde van zijn diensttijd is opgeroepen voor een mobilisatieoefening van ongeveer drie weken. De rechtbank heeft dit gegeven niet bij de beoordeling betrokken, omdat de minister niet in de gelegenheid is geweest te beoordelen of sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden en of hierin aanleiding wordt gevonden het oorspronkelijke besluit te herzien.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.
4.1. De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank dat appellants verzoek dat heeft geleid tot het besluit van 29 januari 2008 en het bestreden besluit, moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het afwijzende besluit van
14 september 1998.
4.2. De Raad stelt voorop dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in een dergelijk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
4.3. Ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag heeft appellant aangevoerd dat hij na het einde van zijn diensttijd is opgeroepen voor een mobilisatieoefening van ongeveer drie weken. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Appellant had dit immers al in 1998 kunnen aanvoeren. De duur van de mobilisatieoefening is verder niet van belang voor het recht op een diensttijdpensioen. Ingevolge het bepaalde in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder ten eerste en onder c, van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922, zoals deze bepaling destijds en voor zover hier van belang luidde, komt voor de werkelijke dienst niet in aanmerking de tijd in het genot van groot verlof doorgebracht, voor zover gedurende die tijd geen werkelijke dienst bewezen is in betrekkingen als in artikel 9 bedoeld Pro. Nu ten aanzien van appellant met ingang van 1 januari 1963 niet langer sprake was van een betrekking als beroepsmilitair als in artikel 9 bedoeld Pro, kan de duur van mobilisatieoefening niet in aanmerking worden gebracht van de werkelijke diensttijd.
4.4. Daarom moet worden geoordeeld dat de minister bij het bestreden besluit de afwijzing van de onderhavige aanvraag terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD