ECLI:NL:CRVB:2011:BP8931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen tijdens wachttijd
Appellante stelde zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen waarin werd geoordeeld dat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht tijdens de wachttijd van een arbeidsongeschikte werkneemster. Het UWV had de wachttijd met 52 weken verlengd (loonsanctie) omdat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende had gehandeld.
De werkneemster was door een bedrijfsongeval ernstig gehandicapt geraakt en kon niet meer terugkeren in haar oude functie. Hoewel zij psychologische bezwaren had tegen terugkeer, was er volgens het UWV en de Raad voldoende medische informatie die aangaf dat er mogelijkheden waren voor re-integratie, ook via het tweede spoor. Appellante had zich te lang laten leiden door de opstelling van de werkneemster en had onvoldoende concrete re-integratieactiviteiten ondernomen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de loonsanctie had opgelegd en dat appellante geen deugdelijke grond had voor haar tekortkomingen. Ook het verzoek om een deskundigenoordeel werd niet als reden gezien om de loonsanctie te vernietigen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd en het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard.