ECLI:NL:CRVB:2011:BP8924
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Verlenging wachttijd loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie tweede spoor
De zaak betreft een hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch die de verlenging van de wachttijd van 104 weken met 52 weken (loonsanctie) wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever vernietigde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de werkgever terecht de loonsanctie opgelegd kreeg omdat zij te afwachtend was geweest met het inzetten van tweede spoor re-integratieactiviteiten. Ondanks bedenkingen over terugkeer van de werknemer in het eigen bedrijf, heeft de werkgever nagelaten tijdig passende arbeid elders te zoeken.
De Raad baseert dit oordeel op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen die concludeerden dat er benutbare mogelijkheden waren vanaf september 2006, maar dat de werkgever pas in juni 2007 het tweede spoor had moeten opstarten. De bedrijfsarts had onvoldoende medisch objectief onderzoek verricht en had te laat de belastbaarheid van de werknemer in kaart gebracht.
De Raad verwerpt het verweer van de werkgever dat zij mocht afgaan op het medisch oordeel van de bedrijfsarts en bevestigt dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever ligt. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van het UWV ongegrond, waarmee de loonsanctie blijft gehandhaafd.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen blijft gehandhaafd.