ECLI:NL:CRVB:2011:BP8914
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongeschiktheid tot arbeid na bevallingsverlof onvoldoende aannemelijk
Werkneemster was werkzaam als verzorgende en viel uit met zwangerschapsgerelateerde klachten. Na haar bevallingsverlof meldde zij zich hersteld en hervatte haar werk, totdat zij zich later wegens psychische klachten ziek meldde. Appellant weigerde een Ziektewetuitkering omdat volgens de verzekeringsarts onvoldoende bewijs bestond dat zij aansluitend aan haar bevallingsverlof ongeschikt was voor arbeid.
De rechtbank oordeelde anders en vond op basis van verklaringen van de bedrijfsarts en leidinggevende dat werkneemster ongeschikt was. De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat het feit dat werkneemster niet volledig werkte onvoldoende is om ongeschiktheid aan te nemen, zeker zonder medische gegevens die dit ondersteunen.
De Raad benadrukt dat twijfel niet in het voordeel van werkneemster mag worden uitgelegd en dat de late melding van ongeschiktheid appellant heeft belemmerd in het onderzoek. Daarom vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat onvoldoende is aangetoond dat werkneemster aansluitend aan haar bevallingsverlof ongeschikt was voor arbeid.