ECLI:NL:CRVB:2011:BP8590
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder vanaf 30 augustus 2001. Naar aanleiding van een anonieme tip dat zij samenwoonde met haar ex-echtgenoot, werd een onderzoek ingesteld. Op basis van een gesprek en eigen verklaringen concludeerde het College dat appellante vanaf 1 februari 2006 een gezamenlijke huishouding voerde, waardoor zij niet langer als zelfstandig subject van bijstand kon worden beschouwd.
Het College trok de bijstand in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar verklaring onder dwang was afgelegd en onjuist was, maar de Raad vond geen bewijs voor dwang of onjuiste verklaringen. De verklaring en ingevulde documenten waren consistent en gaven een juist beeld van de situatie.
De Raad oordeelde dat appellante vanaf 1 februari 2006 als gehuwd moest worden aangemerkt en daarom geen recht had op bijstand als alleenstaande ouder. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de bijstandsuitkering bevestigd wegens gezamenlijke huishouding.