ECLI:NL:CRVB:2011:BP8413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellante, een bejaardenverzorgster die sinds april 2001 arbeidsongeschikt was, kreeg vanaf april 2002 een WAO-uitkering toegekend. Het UWV trok deze uitkering in oktober 2005 in, omdat zij primair geschikt werd geacht voor haar maatgevende arbeid met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het besluit van het UWV bevestigde.
In hoger beroep stelde appellante dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig was en dat er onvoldoende rekening was gehouden met haar fysieke beperkingen. De Raad benoemde een onafhankelijke neuroloog die concludeerde dat er geen concrete neurologische afwijkingen waren die zwaardere beperkingen rechtvaardigden. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht had geoordeeld dat appellante geschikt was voor haar eigen werk.
De Raad oordeelde dat de rapporten van verschillende verzekeringsartsen, hoewel verschillend van mening, voldoende gemotiveerd waren en dat het oordeel van de onafhankelijke deskundige Van der Ploeg volledig en zorgvuldig was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag.