ECLI:NL:CRVB:2011:BP7597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van re-integratievisie ondanks WSW-indicatie bij WAO-uitkering
Appellant ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Het UWV stelde op 17 november 2008 een re-integratievisie op waarin werd vastgesteld dat appellant benutbare arbeidsmogelijkheden heeft, ondanks zijn toelating tot de WSW-doelgroep. Het bezwaar van appellant tegen deze visie werd op 21 april 2009 ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep stelde appellant dat het WSW-indicatiebesluit doorslaggevend had moeten zijn bij de re-integratievisie, omdat dit zou aantonen dat hij niet geschikt is voor regulier werk. De Raad oordeelde echter dat het WSW-indicatiebesluit niet doorslaggevend is bij de beoordeling binnen de WAO en dat het UWV voldoende heeft toegelicht waarom het dit besluit niet zwaar liet wegen.
De Raad baseerde zich op medische en arbeidskundige rapporten die aantoonden dat appellant ondanks beperkingen in lopen en staan, in zittend werk redelijk kan functioneren. Het rapport waarop de rechtbank zich baseerde dateerde van na het bestreden besluit, maar dit werd niet als essentieel gezien voor de onderbouwing van de re-integratievisie.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het beroep van appellant af. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht is uitgegaan van benutbare arbeidsmogelijkheden en wijst het beroep van appellant af.