ECLI:NL:CRVB:2011:BP7422
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag eenmalige TRP-uitkering bij pensioenverevening na scheiding
Appellante verzocht om een eenmalige uitkering op grond van de Tijdelijke Regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening (TRP). De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat appellante volgens hen nog gehuwd was of aanspraak had op pensioenverevening onder de Wet VPS. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen, oordelend dat appellante onder de Wet VPS viel.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat de TRP niet standaard onder zijn rechtsmacht valt, maar dat deze regeling voldoende verwantschap vertoont met sociale zekerheidswetten om de zaak te behandelen. De kernvraag was of personen die onder artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS vallen, maar geen pensioenverevening ontvingen vanwege het drempelbedrag, toch recht hebben op de TRP-uitkering.
De Raad concludeerde dat artikel 2, tweede lid, van de TRP zo moet worden gelezen dat de categorie personen die onder de overgangsregeling van de Wet VPS valt, wordt uitgesloten van de TRP-doelgroep. Het feit dat appellante niet wist van haar recht onder de Wet VPS verandert hier niets aan. De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees de aanvraag af.
De motieven van de regeling en parlementaire geschiedenis tonen dat de TRP bedoeld is voor personen die buiten de Wet VPS vallen en daadwerkelijk pensioenschade leden. Personen die onder de Wet VPS vallen, ook al ontvingen zij geen uitkering vanwege het drempelbedrag, zijn uitgesloten. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees de aanvraag af.
Uitkomst: De aanvraag voor een eenmalige TRP-uitkering is afgewezen omdat appellante onder de overgangsregeling van de Wet VPS valt.