ECLI:NL:CRVB:2011:BP7019
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens werken ondanks uitkeringsontvangst
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het proces-verbaal van verhoor onjuist was en dat hij zich niet tijdig tegen de inhoud kon verzetten, waardoor zijn recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM Pro) was geschonden. De Raad overwoog dat het hier om een bestuursrechtelijke procedure gaat waarbij andere bewijsregels gelden dan in strafzaken. Het proces-verbaal, opgemaakt door een opsporingsambtenaar op ambtsbelofte, mag in beginsel als juist worden aangenomen.
De Raad vond geen reden om hiervan af te wijken, ook niet omdat appellant pas laat kennis kon nemen van het proces-verbaal. Appellant had vanaf november 2009 de mogelijkheid zich tegen de inhoud te verweren. Zijn stelling dat hij meerdere keren had aangegeven dat het proces-verbaal onjuist was, overtuigde de Raad niet. De verklaring in het proces-verbaal, die appellant zonder voorbehoud had ondertekend, werd als voldoende onderbouwd beschouwd.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat appellant in de periode van augustus 2006 tot maart 2007 daadwerkelijk werkte, waardoor het Uwv onverschuldigd WAO-uitkering had betaald en terugvordering gerechtvaardigd was. De Raad bevestigde dit oordeel en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.