ECLI:NL:CRVB:2011:BP7010

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4805 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldige beoordeling psychische beperkingen

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 21 juli 2008, waarbij het UWV had vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel.

De Raad overweegt dat de verzekeringsartsen zorgvuldig hebben gehandeld en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan hun bevindingen. De psychische klachten die appellante aanvoert, worden onvoldoende onderbouwd door de medische stukken, en de Raad ziet geen noodzaak tot het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

Ook de arbeidsdeskundige heeft toegelicht dat de belastbaarheid van appellante niet wordt overschreden door de voorgehouden functies. Het hoger beroep wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt en de psychische beperkingen voldoende zijn meegewogen.

Uitspraak

10/4805 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2010, 08/3517 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.P. Kuhn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kuhn. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Sluis.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit op bezwaar van 21 oktober 2008 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 20 mei 2008, waarbij de WAO-uitkering van appellante, welke laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 21 juli 2008 is beëindigd omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 21 oktober 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen noch aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van deze verzekeringsartsen. De door appellante gestelde ernstige depressie, die haar op de datum in geding ernstiger zou hebben beperkt dan aangenomen door de verzekeringsartsen, kan noch uit de brief van 16 februari 2010 van K. Bozelie, psycholoog i.o. bij GGZ inGeest noch uit de brief van 15 juni 2008 van drs. A.R. Kraft, psycholoog en psychotherapeut, volgen. Er zijn ook overigens geen aanknopingspunten in het dossier voor zodanige twijfel aan de verzekeringsgeneeskundige beoordeling dat de rechtbank aanleiding ziet een onafhankelijke deskundige te raadplegen. De rechtbank acht verder voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening gehouden hebben met haar psychische beperkingen. Ten onrechte heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om een onafhankelijke psychiater te benoemen, nu de ingebrachte medische verklaringen hiertoe wel degelijk aanleiding gaven. De voorgehouden functies zijn niet geschikt in verband met haar vertraagde handelingstempo, chronische vermoeidheidsklachten, problemen met lopen, knielen/hurken en zitten. Ter onderbouwing van het hoger beroep heeft appellante een verklaring van haar huisarts J. van der Linde, gedateerd 25 januari 2011, ingezonden.
4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met de in eerste aanleg aangevoerde gronden, geen wezenlijke nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De verzekeringsartsen hebben rekening gehouden met de informatie van de behandelende psycholoog/psychotherapeut Kraft, fysio- en manueeltherapeut W. Baayen en huisarts Van der Linde. De in hoger beroep ingezonden brief van de huisarts van 25 januari 2011 bevat geen nieuwe informatie ten aanzien van de datum in geding, 21 juli 2008. De Raad kan, evenmin als de rechtbank, uit de voorhanden medische stukken, opmaken dat de (psychische) beperkingen van appellante op 21 juli 2008 onderschat zijn. Hoewel Kraft, Baayen en Van der Linde aangeven dat zij van mening zijn dat appellante niet belastbaar is met arbeid, ziet de Raad onvoldoende medische onderbouwing voor dit standpunt. De Raad wijst erop dat behandeling bij Bozelie ruim na 21 juli 2008 heeft plaatsgevonden en dat Van der Linde pas in januari 2011 psychische stoornissen meldt. Appellante is voorts niet onder behandeling van een psychiater geweest en heeft geen medicatie gebruikt voor haar psychische klachten. Dit duidt niet op een zodanig ernstig beeld dat meer beperkingen op psychisch gebied zouden moeten worden aangenomen. Nu de medische informatie bij de Raad geen twijfel oproept ten aanzien van de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst ziet de Raad, evenmin als de rechtbank, aanleiding tot benoeming van een onafhankelijke deskundige.
4.2. De arbeidsdeskundige heeft afdoende toegelicht dat de belasting in de voorgehouden functies van elektromonteur (SBC 267010), productiemedewerker industrie (SBC 111180) en wikkelaar (SBC 267050) de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. De Raad stelt zich ook op dit punt volledig achter de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.
4.3. Het hoger beroep slaagt dus niet.
4.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) M.A. van Amerongen.
JL