ECLI:NL:CRVB:2011:BP6949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering, die was gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische rapportages zorgvuldig waren opgesteld en de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen, met name die aan nek, schouder, knie en door dysthymie, en dat de samenhang van deze beperkingen niet was betrokken bij de functiekeuze. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze argumenten geen nieuwe gezichtspunten bevatten en dat de medische beoordeling juist en zorgvuldig was. De Raad benadrukte dat klachten niet automatisch objectieve beperkingen betekenen en stelde dat de belastbaarheid in de voorgestelde functies niet werd overschreden.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen op 4 maart 2011.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.