ECLI:NL:CRVB:2011:BP6505

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3703 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 ZW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van ziekengeld na verstrijken maximale uitkeringsduur Ziektewet

Appellante was werkzaam als schoonmaakster en viel uit wegens rugklachten op 26 juni 2006. Haar dienstverband werd beëindigd op 14 juli 2006 en zij ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 22 juni 2008, na het verstrijken van de maximale uitkeringsduur van 104 weken ongeschiktheid tot werken.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het besluit terecht was, omdat artikel 29, vijfde lid, van de Ziektewet dwingend voorschrijft dat na 104 weken geen ziekengeld meer wordt uitgekeerd. Appellante betwistte niet dat deze termijn was verstreken en voerde geen nieuwe feiten aan die het besluit konden betwisten.

In hoger beroep herhaalde appellante haar eerdere gronden, die door de rechtbank gemotiveerd waren verworpen. De Centrale Raad van Beroep vond geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en bevestigde de uitspraak. Ook het afzien van een hoorzitting door het UWV werd als rechtmatig beoordeeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante wordt beëindigd na het verstrijken van de maximale uitkeringsduur van 104 weken.

Uitspraak

09/3703 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2009, 08/3922 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 2 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft J.R. Seedorf hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 14 januari 2011 heeft appellante een besluit van 16 september 2009 van het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk ingestuurd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens het Uwv is verschenen mr. drs. J. Hut.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster. Voor deze werkzaamheden is zij op 26 juni 2006 uitgevallen wegens rugklachten. Met ingang van 14 juli 2006 is het dienstverband van appellante beëindigd en is aan haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. Bij besluit van 27 juni 2008 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar ZW-uitkering met ingang van 22 juni 2008 wordt beëindigd omdat geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een tijdvak van 104 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2. Bij besluit van 28 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 juni 2008 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in artikel 29, vijfde lid, van de ZW is bepaald dat geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een tijdvak van 104 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken. Appellante heeft niet betwist dat op 22 juni 2008 de maximale uitkeringsduur voor de ZW-uitkering is verstreken. Gelet op het dwingende karakter van artikel 29, vijfde lid, van de ZW moest het Uwv de uitkering op voormelde datum beëindigen. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat het Uwv op deze datum nog geen besluit had genomen op de volgens haar ingediende aanvraag om toekenning van een WIA-uitkering kan daar niet aan af doen. Nu appellante ook in beroep niets heeft aangevoerd wat in bezwaar aanleiding had kunnen zijn voor twijfel aan de juistheid van het primaire besluit, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank af kunnen zien van het houden van een hoorzitting.
4. In hoger beroep heeft appellante haar bij de rechtbank naar voren gebrachte beroepsgronden herhaald.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Appellante heeft in hoger beroep alleen gronden aangevoerd die ook reeds in beroep zijn aangevoerd en die door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op juiste wijze uiteengezet waarom de beroepsgronden niet slagen. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid, ook wat betreft het afzien van het houden van een hoorzitting door het Uwv. Uit hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, blijkt niet waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.2. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) T. Dolderman.
TM