ECLI:NL:CRVB:2011:BP6497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens onterecht verwijtbare werkloosheid
Appellante was sinds 1998 werkzaam als cateringmedewerkster en kreeg vanaf 2004 meerdere waarschuwingen over haar gedrag en werkhouding. Na diverse gesprekken en een overplaatsing werd haar arbeidsovereenkomst opgezegd wegens haar houding en gedrag. Het UWV weigerde haar WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond omdat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar persoonlijke omstandigheden en de vraag of sprake was van een dringende reden. Het UWV handhaafde het besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep alsnog ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar gedrag niet de dringende reden vormde en dat zij geen ontslag op staande voet had gekregen. De Raad oordeelde dat het UWV ten onrechte de persoonlijke omstandigheden niet had betrokken bij de beoordeling of sprake was van een dringende reden. De Raad concludeerde dat niet gezegd kan worden dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden en vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Het UWV moet een nieuw besluit nemen waarbij de persoonlijke omstandigheden van appellante worden betrokken. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.