ECLI:NL:CRVB:2011:BP6479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over WW-uitkering en afwijzing schadevergoeding redelijke termijn
Appellant diende in september 2006 een aanvraag in voor een WW-uitkering. Het UWV weigerde aanvankelijk een uitkering toe te kennen voor een bepaalde periode, waarna appellant bezwaar maakte. Na diverse besluiten en bezwaren stelde het UWV uiteindelijk de rechten van appellant op een WW-uitkering vanaf november 2006 vast.
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van 16 april 2009, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat appellant zich kon verenigen met het besluit, terwijl de betaling van de uitkering nog niet volledig was voldaan. In hoger beroep bevestigde appellant dit standpunt, maar klaagde over onvolledige betaling van de uitkering over bepaalde perioden.
De gemachtigde van het UWV gaf aan dat nog een afzonderlijk besluit volgt over de betaling van de resterende uitkeringsbedragen, omdat in sommige weken het recht op WW-uitkering was geëindigd door werkhervatting en ziekmelding.
De Raad oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden, aangezien de totale procedure minder dan vier jaar duurde. Ook stelde de Raad dat de onvolledige betaling over andere perioden buiten de reikwijdte van het geding viel. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af.