ECLI:NL:CRVB:2011:BP6451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Intrekking Wajong-uitkering wegens verblijf in het buitenland zonder toepassing hardheidsclausule
Appellante ontving een Wajong-uitkering op grond van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) trok haar uitkering per 7 april 2007 in omdat zij zich permanent in Suriname had gevestigd. Tevens werd de onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd en een boete opgelegd wegens het niet nakomen van de informatieplicht.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde onder meer dat de hardheidsclausule van artikel 11, zevende lid, Wajong van toepassing was vanwege haar ziekte, afhankelijkheid van haar echtgenoot voor verzorging en haar intentie om terug te keren naar Nederland. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat er geen medische noodzaak was voor verblijf buiten Nederland en dat de verzorging ook door anderen dan haar echtgenoot kon worden geleverd. De hardheidsclausule is slechts van toepassing in uitzonderlijke situaties met objectieve en dwingende redenen, wat hier niet het geval was. Het beroep tegen de boete slaagde echter omdat het Uwv dit standpunt introk. De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de Wajong-uitkering worden bevestigd, de boete wordt vernietigd en het Uwv wordt veroordeeld in proceskosten.